dinsdag 21 oktober 2014

Stad in de Middeleeuwen en Moderne Tijd (2)




Stedelijke situaties vóór de veertiende eeuw


Het vertrouwde beeld van de stad als urbs/civitas -  als een ruimtelijke en politiek/institutionele eenheid - dateert uit de vroegmoderne tijd, en heeft haar wortels zowel in de artistieke als wetenschappelijke innovaties uit het vroege humanisme van de Italiaanse stadstaten  (urbs: perspectief, architectuur- en stadstheorie) als in de communale bewegingen in West-Europa (civitas: stadsrechten; institutionele sociale voorzieningen). De stad als eenheid van urbs en civitas heeft eeuwenlang het denken en handelen van zowel vorsten en bestuurders als van architecten en stedenbouwkundigen tot ver buiten de Westerse wereld beheerst. Het maakt deel uit van de vele verschijningsvormen van het complexe proces van urbanisatie, maar valt daar niet mee samen. Op het moment dat geografen, planologen en  bestuurlijke wetenschappers zich buigen over het verdwijnen van de klassieke stad in de eigentijdse urbanisatiegolven, zijn mediëvisten als Noizet in de ban geraakt van stedelijke situaties uit de periode voorafgaand aan de opkomst van de ‘ moderne’  stad in Renaissance en het Herfsttij der Middeleeuwen..


Om een voorstelling te kunnen maken van stedelijke situaties in de vroege Middeleeuwen, gebruiken mediëvisten uiteenlopende bronnen zoals resterende taalelementen (begrippen; plaatsnamen) ,visuele voorstellingen (iconografie) en vooral ook overgebleven materiële cultuur (archeologische structuren, sporen van nederzettingen, landschapselementen). Een kort overzicht levert de volgende vier algemene karakteristieken op.

Eerst de woorden.  Om te beginnen wordt in geschreven bronnen de urbane werkelijkheid, met name tussen de achtste en twaalfde eeuw, aangeduid door een veelheid van woorden  en uitdrukkingen. Naast civitas en urbs ook termen als: burgus, portus, vicus, castrum en castellum, om ons tot het latijn te beperken. Geen van die termen is dominant en ieder verwijst naar een specifieke context of situatie: civitas: bisschoppelijk; castrum of castellum: militair en portus naar rivier of haven. Onderling vormen de begrippen geen georganiseerde taxonomie. Integendeel, sommige zijn meerduidig, zoals het woord burgus dat soms gebruikt

Siena.jpg

wordt voor een agglomeratie in de nabijheid van een kasteel of domein, soms van een kerkelijk (klooster) ensemble. Vaak is het simpelweg een synoniem voor urbs. Kort samengevat: het in de geschreven bronnen  gebruikte vocabulaire verwijst naar een fundamenteel gesegmenteerde of, beter nog, polynucleaire ruimte. Er is geen sprake van een overkoepelend woord of begrip waar alle andere aan ondergeschikte zijn. Door hun neutrale en structuurloze nevenschikking suggereren ze discontinue, heterogene en gepolariseerde situaties en praktijken. Ruimte werd in de vroege Middeleeuwen niet opgevat als een zelfstandige of ideale denkcategorie die geheel los en onafhankelijk van concrete werkelijkheid was gedacht.

Tweede bron: het visuele materiaal zoals voorstellingen van gebouwen en steden op fresco’s, kapitelen en miniaturen. In de westerse wereld markeren de allegorische voorstellingen van het Goede en Slechte Bestuur, geschilderd door Ambrogio Lorenzetti op de muren van de openbare vergaderzaal van Siena (1337/39), een keerpunt in de geschiedenis van het stadsportret. Anders dan op de schilderijen van zijn voorgangers, verschijnt de stad op de fresco’s van Lorenzetti in het Palazzo Pubblico in Siena niet als een plat decorstuk op de achtergrond of als een conglomeratie van louter silhouetten, maar als een narratieve voorstelling met plastische bouwvolumes min of meer op schaal met de mensen die zich daartussen bewegen. In die zin, aldus Noizet, zou men kunnen volhouden dat iconografisch gezien de stad - in de moderne betekenis van het woord -  pas vanaf het midden van de veertiende eeuw bestaat. Dat wil zeggen als een compacte en begrensde ruimte, juridisch, economisch en sociaal verschillend van de omringende, rurale omgeving. Op vrijwel alle vroegere afbeeldingen worden gebouwen of steden zoals Rome, Troje, Babylon of Jerusalem niet zozeer uitgebeeld maar enkel symbolisch geduid via kenmerkende details als koepels, (boog) deuren of muren. Bekend voorbeeld is de verwijzing naar Jerusalem door de koepel van de Grafkerk op een van de kapitelen in het klooster van Moissac.

lorenzetti-sienna-001.jpg


Naast het vocabulaire en de iconografie  is er ook een geo-fysisch karakteristiek van stedelijke situaties in de periode tussen de vijfde en veertiende eeuw: het opvallende ontbreken van de behoefte aan het afbakenen en begrenzen van de agglomeratie. In de geschreven bronnen zijn van de kant van (kerk) vorsten of landsheren vrijwel geen indicaties van een bewuste controle op stedelijke uitbreidingen of van planmatige spreiding van grondgebruikers over een bepaald gebied. Dat heeft niets te maken met een gebrek aan  technische of geografische kennis. Talloze documenten bewijzen het tegendeel en getuigen juist van exacte, landmeetkundige vaardigheden en precisie bij het afbakenen van de juridische bevoegdheden van wereldlijke en geestelijke overheden. Ook was men in staat om vooruit te lopen op gebiedsuitbreiding als gevolg van het aanslibben en verleggen van rivierbeddingen. In Frankrijk dateert de vroegste manifestatie van een politieke wil tot beheersing en afbakening van een stedelijke ruimte pas uit 1543. Het gaat om een Edict van François over de verkoop van landerijen en opstallen die ter plekke de uitbreiding van de stad belemmerden. De eerste van een lange reeks besluiten over de harmonieuze vorm en ontwikkeling van de stad, een kwestie die voor de autoriteiten uit de eeuwen daarvoor, geen probleem was. Het bestond eenvoudigweg niet.




moissac jerusalem.jpg


Tenslotte een vierde karakteristiek. Het urbane in de vroege Middeleeuwen wordt gekenmerkt door sferen, situaties en bereiken die via netwerken met elkaar waren verbonden. Urbane situaties kennen niet alleen geen grenzen, ze zijn ook niet aaneengesloten. Documenten uit de tijd van de Karolingers laten zien dat de dominante actores in het urbanisatieproces de grote abdijen en wereldlijke hoven waren. Die beheerden en coördineerden hun verspreid liggende bezittingen via bestuurlijke en handels netwerken van locaties (grondbezit), activiteiten en stromen (goederen, mensen) die uiteindelijk convergeerden in de voornamelijk kerkelijke complexen. Weliswaar ontstonden in hun nabijheid allerlei nederzettingen (burgus of pre-stedelijke kernen ) maar de eigenlijke aandrijvers van sociale en vooral economische activiteiten waren de kerkelijke en wereldlijke centra: de abdijen en hoven wier macht gebaseerd was op het in beweging houden en structureren van centripetale stromen vanuit de periferie.

samenvattend: zowel de tekstuele en visuele conventies als economische en bestuurlijke procedures, roepen het beeld op van het ‘ stedelijke’  als een niet-geografisch feit en gegeven, in essentie anisotroop (in alle richtingen gelijk), discontinue en in open relatie met de wijde omgeving. Zij suggereren een specifieke variant van ‘ stad’ binnen het veel complexere urbanisatieproces zoals dat tussen de vijfde en vijftiende eeuw plaats vond. Een proces met vele kanten, waarvan de krimp van de bestaande (romeinse) steden, nederzettingen en versterkingen niet het minst belangrijk is. De vraag is of het mogelijk is om aan de hand van de overvloed van archeologische data in combinatie met actuele geografische begrippen en analyses, een historisch betrouwbaar beeld kan worden geschetst van de sociale en fysieke werkelijkheid van stedelijke fenomenen en situaties, voorafgaand aan de ‘ uitvinding’ van de stad waar de fresco’s uit Siena het welsprekende bewijs van zijn?

Dit is een samenvatting en bewerking van een recent artikel van de Franse historica Hélène Noizet. Wordt vervolgd








woensdag 15 oktober 2014

Stad in de Middeleeuwen en Moderne Tijd (1)



Wat betekent ‘ stad’  eigenlijk in de pre-moderne tijd?

In het onderzoek naar stedelijke situaties in de vroege middeleeuwen  vinden Franse mediëvisten steeds meer aansluiting bij recente geografische inzichten over het einde van de klassieke stad. Op dezelfde manier waarop huidige stedelijke ontwikkelingen zoals suburbanisatie, regionalisering, nevel- of tussensteden, niet meer te beschrijven en te analyseren zijn met de traditioneel aan de stad gekoppelde (ruimtelijke) begrippen en categorieën, zo constateren mediëvisten de ontoereikendheid van het begrip stad als het gaat om het benoemen van veelsoortige economische activiteiten en sociale situaties uit de periode tussen het einde van het Romeinse Rijk en het midden van de veertiende eeuw. In hun analyses hanteren zij nieuwe onderzoekscategorieën zoals: ‘ nabijheid’ , ‘ afstand’ en ‘ beweging’  en vinden daarbij steun bij het empirisch onderzoek van van met name geo-archeologen.

Onlangs heeft de Franse mediëvist Helene Noizet een interessant artikel gepubliceerd waarin zij de (bekende) theses van Franoise Choay over eigentijdse plannings- en architectuurtheorie verbindt met onderzoeksresultaten van (Franse) historici als Philippe Cardinali en van geografen als Jacques Levy en Michel Lussault. Zij ontvouwt daarin inzichten over de worsteling met het begrip  stad, zoals ik die in eerdere blogs heb  geconstateerd bij archeologen/historici die zich bezighouden met de allereerste fases van stadsvorming en verstedelijking in de regio tussen Eufraat en Tigris (Ur, Uruk etc.). Maar nieuw ten opzichte van dit type onderzoek is dat Noizet heel bewust de verbinding legt met contemporaine, geografische inzichten, weliswaar van eenzijdig Franse makelij - de namen van toonaangevende Engelstalige geografen als Amin of Brenner ontbreken - maar toch, wat van belang is dat (stads) historici de aansluiting hebben gevonden!

Om een indruk te geven van de (besliste) toon van het artikel, geef ik hier in vertaling de openingsalinea van het artikel:

Cardinali 2002.jpg



‘ Wat wij in het Westen gewoonlijk onder ‘ stad’  verstaan, en waarvan sommige geografen beweren dat die sedert het einde van de vorige eeuw volledig is opgelost in de veelsoortige verschijningsvormen van urbanisatie, is niet het resultaat van een continue ontwikkeling sedert de antieke oudheid, maar dateert in feite uit het Herfstij der Middeleeuwen. Het is een historisch bepaald begrip, beladen met specifieke (visuele) voorstellingen en gedefinieerd met Latijnse termen als ‘ urbs’ of ‘ civitas’ , die een schier universele betekenis suggeren, maar die in feite niets zeggen over de sociale praktijken in de westerse wereld tussen de vijfde en veertiende eeuw. Gedurende die lange periode functioneerde ‘ de’  stad in werkelijkheid als een discontinue, niet aan plaats gebonden, netwerk situatie. Pas aan het einde van de middeleeuwen kristalliseerde die toestand zich uit in de vorm van een concrete en compacte plaats en plek. De stelling die in dit artikel wordt gelanceerd is incidenteel al eerder in de historiografie van de stad opgedoken (Cardinali 2002) maar tot nu toe nauwelijks uitgewerkt, laat staan archeologisch onderbouwd. Nieuw is bovendien de koppeling die gemaakt met geografische begrippen en theorieën over actuele processen en verstedelijking en de daarbij behorende profetieën over het einde van de klassieke stad’.

Tenslotte de bij het artikel behorende, Engelstalige samenvatting: The observations that are currently made by geographers about the end of the city and the recent predominance of the urban issue, basically non territorial, echo the studies in the history and archaeology that focus on the Early Middle Ages. These reflections, often unconsciously shared giv e a firm historical and geographical basis to the concept of the city. Functioning at the beginning of the Middle Ages as a networked place, the city became a territorial place from the 14th century onwards, mixing the the features of the urbs and the civitas. Set up as a powerful ideal model, still able to legitimate action, its full development is nonetheless a historical pattern, not a constant of human action.






zaterdag 6 september 2014

Thema's uit de Europese Stadsgeschiedenis (3)





Sarcelles: proeftuin of ghetto?


Sarcelles Cupers-Social-1_525.jpg

Marc Bernard, romancier en journalist bij de krant Figaro kwam naar Sarcelles toen daar ruim 25.000 mensen woonden. De meesten afkomstig uit Parijs, uit de ‘ bidonvilles’ of uit de ‘ gesaneerde’ stadswijken, maar vooral ook uit Algerije, Marokko en andere Franse kolonies. In Sarcellopolis beschrijft Bernard in 32 korte essays Sarcelles niet als een probleemwijk maar als een nieuw type stad, als een experimentele vorm van samenleven die geheel is toegesneden op de alom om zich heen grijpende modernisering en vooral amerikanisering van de Franse samenleving in de eerste decennia na de Tw\eede Wereldoorlog. Sarcelles is in de winter van 1963/64 - de periode dat Bertrand daar woonde - nog een stad in opbouw waar de harde lijnen van vorm en leven in de Franse versie van ‘ staatsarchitectuur’  (l’urbanisme d’état) nog niet helemaal vast lagen. Hetgeen de Franse media en intellectuele, universitaire intelligentsia - sociologen voorop - er niet van weerhield om bij voorbaat deze vorm van  ‘logement statistique’ af te wijzen en aan de kaak te stellen. Mikpunt van kritiek was niet alleen de koele rationaliteit van planning en ontwerp, maar vooral het daarachter schuilende, wereldbeeld van technocraten en bureaucraten. Dit soort nostalgische protesten kent overigens een lange (literaire) traditie, met grote namen als Hugo, Chauteaubriand, Baudelaire, Debord e.a., die in hun tijd eveneens treurden over de snelheid waarmee het ‘ vertrouwde’ Parijs aan het verdwijnen was en geen begrip konden opbrengen voor datgene wat daarvoor in de plaats was gekomen.

Bertrand bewandelt een andere route. Hij beschrijft Sarcelles, haar bewoners en hun manier van leven zonder vooroordelen en zonder vooropgezette theorie of stellingname. Zo  observeert hij de dagelijkse rituelen van huisvrouwen in hun appartementen en in de supermarkten, bezoekt filmvoorstellingen en gemeenschappelijke voorlichtingsavonden, woont repetities bij van toneelvoorstellingen van jonge amateurs van allerlei pluimage en is verrast en ontroerd door hun worsteling met het klassieke repertoire van Corneille, Racine en Molière. Belangrijk onderdeel van Bertrand’s etnografische aanpak zijn de interviews met officiële instanties en hulpverleners waaronder de plaatselijke politiechef, de geestelijkheid, artsen en de verantwoordelijke architect. Tijdens die gesprekken die vrijwel allemaal op locatie worden gevoerd, rijst het beeld op van een stedelijke werkelijkheid met duidelijk twee versnellingen. Het is het beeld van een futuristisch ogende en in materieel opzicht perfect geoutilleerde stad die de belofte uitstraalt van een leefwijze waar de bewoners zelf niet of nauwelijks aan toe zijn. En die dan ook via intensieve sociale hulpverlening daarbij moeten worden geholpen en begeleid.Het is een situatie waarvan Bernard zich afvraagt of de Franse staat in staat zal zijn om de pretenties van verzorging en maatschappelijke voorzieningen op de lange termijn gestand zal kunnen doen.

Met veel liefde en oog voor details beschrijft hij het dagelijkse werk van de talloze pioniers/hulpverleners die belast zijn met de medische en geestelijke verzorging, met de opvang van achtergebleven kinderen, jeugdige criminelen en kansloze werklozen. Zo presenteert hij hun werk als de proeftuin van een geoliede verzorgingsstaat waarvan de toekomst echter onzeker is. Die twijfel en scepsis over de optimistische veronderstelling dat geëmancipeerde bewoners de cosmetisch ‘ schone’  stad op den duur tot leven zouden kunnen wekken en haar een ziel zouden kunnen geven, is achteraf gezien, niet geheel ongegrond gebleken.

Paris Hazan 2012 arton573.jpg

Precies vijftig jaar later is het publieke en vakmatige debat over Sarcelles als ‘ grand ensemble’  nauwelijks van toon veranderd. Maar het mikpunt van kritiek, afkeer en angst geldt nu niet meer de technocratische planning en anonimiteit van de fysieke omgeving, als wel de agressiviteit, sociale onaangepastheid en ‘ vreemdheid’  van de huidige bewoners. Voorsteden als Sarcelles zijn opnieuw gestigmatiseerd. We hoeven alleen maar te kijken naar het woordgebruik waarmee zowel in de media als in de wetenschappelijke publicaties gesproken en geschreven wordt om de toestand van de grootschalige woongebieden aan de periferie van de grote Franse steden te beschrijven; ‘ quartiers défavorisées, quartiers sensibles, quartiers en difficulté, zone urbaine fragile, zone d’ urbanisation prioritaire, poches d ‘exclusion, zones de non-droit of gewoon ghetto. Maar ook nu zijn er tegengeluiden die getuigen van een zeker optimisme over de socio-culturele potenties van de gewraakte Franse voorsteden. Een daarvan is die van Eric Nazan, van oorsprong cardioloog, maar nu actief als schrijver, uitgever en revolutionair. En vooral kenner van Parijs en haar geschiedenis.  In 2002 schreef hij een prachtig boek over  ‘de uitvinding van Parijs’ (2002)  en meer een recentelijk publiceerde hij Paris sous tension (Editions La fabrique), een allesbehalve nostalgische terugblik op het oude ‘ vertrouwde’ Parijs. Integendeel, het is veel meer een optimistische visie op de toekomst van de stad, op het andere en nieuwe Parijs dat aan de overzijde van de boulevard péripherique vibreert en waar geen toerist zich waagt. Voor Hazan bevindt het ‘ oude’, paradigmatische Parijs zich in een fatale houdgreep van vastgoed speculanten en massa toerisme met alle economische, sociale en culturele effecten van dien. Het toekomstige Parijs daarentegen ligt in de fysiek, sociaal en cultureel gemarginaliseerde voorsteden, letterlijk afgesneden door eenentwintigste-eeuwse boulevards en hun stromen op gebied van verkeer, informatie, financiën en energie. Hier schuilen de potenties  voor verzet tegen en uiteindelijke overwinning op de desastreuze effecten van globaliserende processen die hij samenvat onder de noemer: neo-haussmanisering. Het lijkt op een soort Occupy-achtige wensdroom, maar voor Eric Hazan is dit geen utopie maar veeleer een noodzakelijke ontwikkeling geheel in de lijn van de grote sociale revoluties (1848, 1871) aan de hand waarvan Parijs zich in de loop van haar recente geschiedenis steeds weer opnieuw heeft uitgevonden.

uitstekende analyse van het boek van Marc Bertrand:

Cathérine Bernié-Boissard, ‘ Un roman d’ ethnographie urbaine: Sarcellopolis de Marc Bernard (1964)’ , in: Esprit  Octobre 2006, 99-111

kritisch artikel over het boek van Eric Nazan:


Enkele recente historische analyse van de planning van en politieke omgang met de grootschalige sociale huisvestingsprojecten in de periferie van Franse steden:



Fraai (Engelstalig) artikel van Eric Hazan over de recente transformaties van Parijs en haar banlieu’s :








Paris Roissy 1.jpg




vrijdag 15 augustus 2014

Thema's uit de Europese Stadsgeschiedenis (2)








Sarcelles: een ‘ buitenissig soort Frankrijk’ ?


sarcellopolis,M35904.jpg


Toen ik, nu meer dan tien jaar geleden, bezig was met het schrijven van een essay over Franziska Linkerhand (1974), een roman van de DDR cult auteur Brigitte Reimann, was mijn voornaamste drijfveer het verlangen dieper door te dringen in het dagelijkse werkelijkheid van een socialistische New Town. Ik was in de nadagen van mijn hoogleraarschap geïnteresseerd geraakt in de geschiedenis van architectuur, stadsontwikkeling en stedenbouw binnen het Oostblok en probeerde die te benaderen via Duitstalige publicaties uit en over de DDR. En al lezende raakte ik steeds meer verontwaardigd over het feit dat ik meer dan vijfentwintig jaar op universitair niveau over contemporaine architectuur had gesproken (en geschreven) zonder daar expliciet de ontwikkelingen in Midden- en Oost-Europa in te betrekken. Ik heb er een dezer dagen het handboek van Kenneth Frampton er nog eens op nageslagen en moest constateren dat ik indertijd met die eenzijdig westers georiënteerde beeldvorming helaas niet alleen stond. Intussen hebben de geopolitieke verschuivingen van begin jaren negentig ook de architectuurgeschiedenis niet onberoerd gelaten zoals het schitterende recente handboek van de Franse architectuurhistoricus Jean-Louis Cohen (The Future of Architecture since 1889 , 2013) laat zien.


Lenger voert in hoofdstuk XII over het stedelijk milieu, migratie, segregatie en woonvormen in Europa na 1950 (S. 463ff.) tal van literaire teksten op, zowel boeken als essays van o.a. François Maspéro (Roissy Express, 1990), Marc Bernard, Sven Regener (Neue Vahr Süd, 2004) en Brigitte Reimmann. En steeds met de bedoeling om de talloze, in de jaren zestig en zeventig gerealiseerde, grootschalige stadsuitbreidingen aan de randen van de steden zowel in Oost als West onbevooroordeeld en zo genuanceerd mogelijk te beschrijven en historisch te analyseren. Al was het maar om te vermijden de opzet, programma en het sociale gebruik van deze nieuwe woonbuurten  uit te leggen vanuit de negatieve beeldvorming op grond van de rellen, opstanden en sociale onrust die zich daar vanaf de jaren tachtig hebben voorgedaan. Dat is des te urgenter omdat over deze vorm van stadsontwikkeling weliswaar veel sociologische en vooral ook sociaal-politieke rapporten en boeken zijn gepubliceerd, maar weinig of geen gedetailleerde, architectuur- of planningshistorische monografieën beschikbaar zijn. Lenger laat zich niet door negatief geïnfecteerde architectuurhistorici of sociologen in de lure leggen, en zoekt de evidente verschillen op tussen de grootschalige woonwijken c.q. nieuwe steden - of die nu aan de rand van Moskou, Amsterdam, London, Berlijn of Parijs staan - verschillen op gebied van (ideologische) opzet, planning, inrichting en het sociale functioneren. Zo laat hij zien dat dit soort nieuwbouwwijken in de Oostbloklanden door geografische situering en en demografische samenstelling, veel meer dan die in het Westen, (eenzijdig) gekoppeld waren aan gespecialiseerde, industriële productiecentra. Ook bleven deze vaak kleine en technische slecht geoutilleerde woningen, bij de bevolking buitengewoon populair vanwege de voortdurende woningnood. En om die argumenten kracht bij te zetten, citeert Lenger (relatief) uitvoerig uit Franziska Linkerhand (1974), de roman waar Brigitte Reimann aan begon te schrijven nadat ze op een koude maandag in januari 1961 zelf in Hoyerswerda-Neustadt  een nieuwe woning had betrokken.
reimann_brigitte_franziska_buchtitel.jpg


Reimann - en haar protoganiste de architect Franziska Linkerhand - vertonen in hun aanpak en werkwijze opmerkelijke gelijkenissen met Marc Bernard. Ze delen niet alleen een onafhankelijke blik - en een gezonde vorm van intellectuele naïviteit - ze kiezen er beiden bewust voor om de verworvenheden van een totaal nieuwe omgeving vanuit eigen ervaringen te beschrijven. Reimann heeft méér dan tien jaar op een flatje in Hoyerswerda gewoond, Bernard bleef in een vergelijkbare situatie in Sarcelles niet meer dan drie (winter) maanden. Maar wat een verschillen in verwachting, perceptie en ervaring! Reimann verhuisde naar Hoyerswerda-Neustadt om daar - in een nieuwe omgeving van socialistische makelij - deel te nemen aan de opbouw en inrichting van een op sociale gelijkheid en solidariteit gebaseerde samenleving. Haar roman, die in de toenmalige DDR alleen in een grof gecensureerde vorm kon verschijnen - is een even onthullend als aangrijpend verhaal van ideologische ontgoocheling en ontluistering. Zelden is de teloorgang van een architectonisch-stedenbouwkundige utopie zo van binnenuit in beeld gebracht als in deze onvoltooide roman.


Marc Bertrand beschrijft in zijn literair-journalistiek verslag een exact tegenovergestelde ervaring. Hij vertrok vanuit een chique maar woontechnische slecht geoutilleerde woonbuurt in het hart van Parijs richting noordwaarts, naar een nieuwe stad die hem zo onbekend was als het ‘ wilde westen’ . Met in zijn zak de stilzwijgende opdracht terug te keren met een soort manifest tegen de vermeende, bureaucratische planconcepten en sociale onvolkomenheden van de nieuwe Franse voorsteden. Hij schreef daar geen roman over maar een indringend, etnografisch getint essay dat qua taalgebruik maar vooral ook intenties, vergelijkbaar is met het prachtige essay dat August Willemsen over de Bijlmer heeft geschreven onder de titel: ‘ Een buitenissig soort Nederland’ .Met andere woorden: een essay waarin de schrijver niet clichématig tekeer gaat maar op zoek is naar woorden, beelden en formuleringen aan de hand waarvan hij datgene wat hij in Sarcelles dagelijks ziet, voelt en meemaakt, onder woorden kan brengen.


Paris Roissy 1990.jpg


voor de roman Franziska Linkerhand:

https://www.academia.edu/3122194/Franziska_Linkerhand_1974_._Een_architectuurhistorische_beschouwing_van_een_roman_van_Brigitte_reimann

donderdag 14 augustus 2014

Thema's uit de Europese Stadsgeschiedenis (1)

De Twintigste Eeuw: Niemandsland van de Stadsgeschiedenis?


lengermetropolendermoderne_978_3_406_65199_1_1a_cover_de_240x480.jpg


Gedurende de afgelopen zomermaanden heb ik me beziggehouden met het in 2013 verschenen, grootse overzicht van de Europese stadsgeschiedenis: Metropolen der Moderne. Europäische Stadtgeschichte seit 1850 . Het is geschreven door de Duitse historicus Friedrich Lenger, auteur van tal van boeken en artikelen, in het bijzonder over stedelijke ontwikkelingen in de twintigste eeuw. Mijn aanvankelijke bedoeling was om hierover een substantiële recensie te schrijven, bijvoorbeeld voor ARCHINED - en misschien doe ik dat uiteindelijk ook wel, maar voorlopig wil ik experimenteren met een andere vorm van schrijven. Voor mij is dit handboek een fraai voorbeeld van niet zozeer een integrale maar wel rijk geschakeerde vorm van stadsgeschiedenis. Ik ken geen recent overzicht waarin op zo’n overtuigende manier urbanisatie, stadsontwikkeling, stadsleven, stedelijke cultuur verweven zijn met algemene, historische ontwikkelingen binnen Europa. Daarmee sluit het aan bij recente trends in de Duitse geschiedschrijving die gekenmerkt worden door een uitgesproken voorkeur voor het grote gebaar: voor het ontvouwen van brede (transatlantische) panorama’s, met als klapper het vuistdikke handboek van Jürgen Osterhammel over der geschiedenis van de negentiende eeuw (2009). Voor stadshistorici overigens een onmisbaar boek, al was het maar vanwege het uiterst compacte maar zeer informatieve vignet over de stad en de geschiedschrijving daarover.


Osterhammel 51glPVaFPoL._SY344_BO1,204,203,200_.jpg


Om recht te doen aan de rijkdom en veelzijdigheid van het handboek van Friedrich Lenger, wil ik de komende periode een paar blogs schrijven over enkele, schijnbaar willekeurig uitgezochte onderwerpen en thema’s die me bij het lezen zijn opgevallen. Sommige zijn methodisch en/of theoretisch van karakter, zoals bijvoorbeeld de omgang met het begrip: moderniteit aan de hand waarvan het boek inhoudelijk gestructureerd is. Ik wil proberen duidelijk te maken hoezeer het Duitse, historische stadsonderzoek verweven is met stadssociologische benaderingen. Een ander onderwerp wat me buitengewoon boeide is dat van de ‘ Urbizid’ , een door Karl Schlögel bedachte term waarmee hij de doelbewuste ‘ moord’ op de stad niet zozeer in fysieke als wel mentaal-culturele zin bedoelt zoals die in het kader van de grote geopolitieke verschuivingen na de Tweede Werekldoorlog heeft plaats gevonden (Breslau, Königsbergen etc.). Lenger pakt het onderwerp op en geeft het zijn eigenlijke plaats in de geschiedschrijving van de vernietiging en wederopbouw van de stad tijdens en na de oorlog. Maar ik wil beginnen met een minder aangrijpend onderwerp, en dat is de manier waarop Lenger de literaire verbeelding inzet bij de beschrijving en analyse van tal van stedelijke fenomenen zoals migratie, suburbanisatie, woonomstandigheden en transport/verkeer. Juist op momenten waarop de lezer denkt: waarover gaat dit, hoe moet ik me het hier beschrevene concreet voorstellen, schiet Lenger te hulp met soms alleen een verwijzing naar maar soms ook letterlijke citaten uit romans en gedichten. Met andere woorden: in dit handboek neemt wat ‘ Duitse sociologen de Stadt im Kopf noemen, de mentale stad dus, die van de innerlijke beleving en perceptie’ (Leeke Reinders) een meer dan prominente plaats in. Ik wil dan ook laten zien dat het bij deze  montages om iets meer gaat dan enkel de behoefte aan beschrijvende illustraties in de tekst. Maar dat de studie van de manier waarop stedelingen  hun eigen omstandigheden en omgeving waarnemen en beoordelen, noodzakelijkerwijze vooraf dient te gaan aan de analyse van hun handelen en ingrijpen. Een goed voorbeeld hoe Lenger daarbij te werk gaat, is te vinden in hoofdstuk XII (S.463vv.) waarin de bouw van grootschalige woonensembles aan de rand van Europese steden in de jaren zestig van de vorige eeuw, centraal staat. Zoals in het hele boek, beperkt hij zich niet tot de westerse wereld, maar schenkt hij evenredig veel aandacht aan de ontwikkelingen in het Oostblok, waaronder ook in de DDR. Sprekend over een van de meest bekende, socialistische New Towns: Hoyerswerda-Neustadt, citeert hij uitvoerig uit de prachtige roman van Brigitte Reimann, Franziska Linkerhandt (1971) waarover ik lang geleden zelf ook een proeve van bekwaamheid heb geschreven. Maar het meest overtuigt Lenger met de manier waarop hij de roman Sarcellopolis (1964) van de Franse schrijver Marc Bernard inzet bij zijn  analyse en waardering van een van de meest bekende en beruchte Grands Ensembles van Parijs:Sarcelles. Daarover wil ik in mijn eerst volgende blok wat gedetailleerd op ingaan.

recensie van het handboek van Lenger door de ‘ grande dame’ van de Duitse stadsgeschiedenis: Adelheid von Saldern:



zie ook de uitvoerige recensie van Lenger van het handboek van Osterhammel:








woensdag 25 juni 2014

Dat is Architectuurgeschiedenis

Recensie

Ed Taverne

Net als architecten zijn ook historici bij uitstek constructeurs, die heel zorgvuldig proberen greep te krijgen op de technische, economische, juridische en psychologische krachten die een gebouw tot vorm brengen. Dit soort uitspraken lijken vanzelfsprekend, zijn het ook, maar wekken tegelijk ook de suggestie van spanningen tussen enerzijds architectonische theorie en geschiedenis en, aan de andere kant, de architectuurpraktijk. Nu op dit moment de verhouding tussen geschiedenis en architectuur geen brandende kwestie (meer) is, zijn we geneigd te vergeten hoezeer het debat daarover, internationaal gezien, de toon heeft gezet binnen de architectonische cultuur na de Tweede Wereldoorlog. Kijk eens naar de eerste architectuuroverzichten, die van Giedion (1941) of Joedicke ( 1958): die ontleenden hun grote populariteit niet alleen bij architecten maar ook bij bestuurders en zelfs journalisten, op de eerste plaats aan hun eenduidige boodschap: het bieden van een bruikbare handreiking voor een nieuwe start van de architectuur na 1945, met als belangrijkste keurmerk de eenheid van vorm en constructie. Het was het ideaal van een eigentijdse architectuur die haar wortels had in het moderne bouwen vóór 1933. Historiografisch zijn dit belangrijke handboeken omdat hier uit de pluriforme, vooroorlogse bouwproductie een selectie werd gemaakt en een kanon werd opgesteld die van blijvende invloed zou zijn op onze visie op de ontwikkelingsgeschiedenis van het bouwen in de twintigste eeuw. Een hardnekkige kanon van persoonlijkheden, stijlen, bewegingen en gebouwen die steevast terug te vinden is in alle nadien verschenen, grote architectuuroverzichten: die van Benevolo, Zevi, Tafuri & Dal Co, Frampton, Curtis en Olmo. En het zal ook niemand verbazen dat deze kanon – uiteraard aangepast en geüpdatet -  ook het ijzersterke skelet is waaromheen Jean-Louis Cohen zijn versie van de contemporaine architectuur heeft geconstrueerd.
Eind jaren zestig kwam er, tegelijk met de crisis in de naoorlogse variant van het modernisme in de bouw, ook een einde aan de intieme verwantschap tussen  architectuur en geschiedenis. In 1968 publiceerde de Italiaanse architect/historicus Manfredo Tafuri zijn Teorie e Storia dell’Architettura dat onbetwist beschouwd wordt als de eerste en meest expliciete reflectie over het theoretische spanningsveld ‘tussen verleden en geschiedenis, tussen onderzoek en geschiedenis,, tussen schrijven en reflecteren, tussen project en productie’.[i] Tafuri en diens geestverwanten en medewerkers aan het Instituut voor Architectuurgeschiedenis van de Universiteit van Venetië (Dal Co, De Michelis, Teyssot e.a.) forceerden een  cruciale cesuur in de historiografie van de naoorlogse architectuurgeschiedenis door de geschiedenis te ‘bevrijden’ uit de houdgreep van de architectuurpraktijk. In het huidige Tafuri-onderzoek gaat het niet primair niet om het context geven aan Tafuri’s marxistische herschrijving van de geschiedenis van de moderne architectuur – de rol van de avant-garde in de ontwikkeling van het kapitalisme – maar veeleer om de betekenis van Tafuri voor de verzelfstandiging van de geschiedschrijving als mestiere (ambacht), als een ten opzichte van de architectuur autonome en kritische praktijk.  Die wending maakte een definitief einde aan het gangbare,  door Pevsner ontworpen, optimistische narratief ‘Van Morris tot Gropius’ en zette daar een versplinterd geschiedbeeld voor in de plaats. Maar veel belangrijker nog waren de openingen die Tafuri c.s. maakte vanuit de geschiedenis naar tal van andere disciplines, zoals sociologie, geografie, economie en, niet op de laatste plaats, semiotiek. De disciplinaire ‘verlossing’ leidde tot vakinhoudelijke verbreding en verrijking met ingrijpende gevolgen voor de geschiedschrijving van het eigentijdse bouwen. Die werden voor het eerst zichtbaar in het door Tafuri samen met Francesco dal Co geschreven, monumentale handboek Architettura Contemporanea (1976). Hierin wordt de architectuurontwikkeling niet geanalyseerd aan de hand van stijlen, persoonlijkheden of individuele gebouwen – die worden hooguit afgebeeld maar niet of nauwelijks beschreven – maar voornamelijk vanuit intellectuele (contra) bewegingen, denksystemen en institutionele kaders. In hoofdstukken zoals: ‘opkomst van de stedelijke planning binnen de industriële economie van de USA’; ‘Deutsche Werkbund versus Großstadt’; ‘het Rode Wenen: woonpolitiek in het socialistisch Wenen’; ‘architectuur & stad in de USA in de progressieve era en de New Deal’ of ‘stadsplanning en bouwpolitiek na de Tweede Wereldoorlog’’ gaat het uiteindelijk niet om gebouwen en planconcepten van een historische context te voorzien maar om de vraag in ‘hoeverre vanuit de architectonische taal hypotheses kunnen worden afgeleid met betrekking tot collectieve doelen en bestemmingen.’ De impact van de disciplinaire reconstructie van  de architectuurgeschiedenis – en in bredere zin, van de versterking van de relatie tussen architectonische praktijk en intellectuele cultuur – was wereldwijd enorm. In het bijzonder op toonaangevende architectuuropleidingen zoals die in Turijn (Carlo Olmo), New York (IAUS; Colombia University; Eisenman, Vidler, Frampton) en ook in Parijs. Hier was het vooral Jean-Louis Cohen die al heel vroeg de fundamentele betekenis van  Manfredo Tafuri’s onderzoek voor zowel de geschiedschrijving als de architectuurpraktijk onderkende en ook persoonlijk heeft bijgedragen aan de wereldwijde disseminatie van de Venetiaanse hypotheses door a) baanbrekende coproducties met de Venetiaanse onderzoekers zoals die over USSR, 1917-1978: la città, l’architettura (1979) en b)  een schier alom tegenwoordigheid bij en actieve deelname aan vrijwel alle internationale seminars op gebied van de architectuurgeschiedenis in de afgelopen drie decennia.
Op dit moment wordt het denken over de verhoudingen tussen architectonische praktijk, geschiedenis en theorie gedomineerd door een thema dat weliswaar voortvloeit uit de Tafuriaanse revolutie, maar desalniettemin een geheel andere richting inslaat. In 2010 verscheen van de hand van Carlo Olmo een bescheiden boekje over de wegen en dwaalwegen in de architectuurgeschiedenis van de twintigste eeuw.[ii] Samengevat gaat het om de beantwoording van twee, spiegelbeeldige vragen: in hoeverre kan de architectuurgeschiedenis met recht een plaats opeisen in het debat over de historiografie van de twintigste eeuw? En, vervolgens, hoe komt het dat in de talloze discussies over de specificiteit van dit tijdvak binnen de geschiedenis – over de dimensies van tijd en ruimte, begrippen en maatschappelijke domeinen – hoe komt het dat de architectuur daar volledig ontbreekt? Het lijkt erop alsof Olmo, veertig jaar later,  de balans wil opmaken van het ambitieuze programma dat indertijd door Tafuri c.s. zowel voor de architectuur als de geschiedschrijving is opgesteld. Dat uitgesproken Olmo zich dit soort vragen stelt, is niet toevallig. Hij is een van de zeldzame architectuurhistorici die allang geleden een geslaagde koppeling tussen architectuur- en stadsgeschiedenis heeft gemaakt door de samenwerking met de Franse stadshistoricus Bernard Lepetit. Een wederzijdse bevruchting die, wat Olmo betreft, heeft geleid tot een in 1989 gepubliceerde speurtocht naar de wortels van de moderne architectuur in de vele geschiedenissen van de pre-industriële era: die van het achttiende-eeuwse architectuurdebat, van het esthetisch eclecticisme van de Encyclopedie als erfenis voor de negentiende eeuw, maar ook van de premoderne vastgoedregimes in de diverse Europese steden en de daaraan gekoppelde sociale mobiliteit. Olmo weet waar hij over praat als hij pleit voor een scherpere positionering van het door de architectuur verdedigde idee van moderniteit binnen de historiografie van de twintigste eeuw. Maar wat moeten we ons daar concreet bij voorstellen? Het meest recente en tegelijk ook indrukwekkende voorbeeld van een dergelijk breed uitgemeten, historisch panorama van de twintigste eeuw, is het door Tony Judt samen met Timothy Snyder geschreven Thinking the Twentieth Century (2012). Dat is geen cultuurgeschiedenis zoals we die kennen van bijvoorbeeld Simon Schama, maar een genuanceerde politieke ideeëngeschiedenis waarin naast films, gedichten en romans, ook ontwerpers en hun opdrachtgevers- zoals die uit het ‘Rode Wenen’ -  worden opgevoerd als invloedrijke spelers in een emancipatorisch, politiek project.
 Het in 2011 verschenen, monumentale handboek van Jean-Louis Cohen, kan met recht worden beschouwd als het eigenlijke antwoord op de door Carlo Olmo gestelde vragen: ja, het is mogelijk om een architectuurgeschiedenis van de twintigste eeuw te schrijven waarin de architectuur op overtuigende wijze is geïntegreerd in een narratief framewerk van de contemporaine geschiedenis. In The Future of Architecture since 1889 komen alle historiografische tradities van de eigentijdse architectuur op een unieke wijze samen: het wordt gedragen door de bekende reeks van canonieke gebouwen, persoonlijkheden en stijlen, maar die figureren hier slechts als (uitgangs) punten in wereldwijde netwerken van nieuwe domeinen, brandpunten en keyworks. En inderdaad, het is een kritische en gedistantieerde geschiedschrijving, maar het mist gelukkig het pathos en de gekunsteldheid dat het Venetiaanse voorwerk vaak zo ondoorgrondelijk maakt. En net als dat van Kenneth Frampton, telt ook dit nieuwe overzicht vijfendertig hoofdstukken, maar waar die in Moderne Architectuur. Een kritische geschiedenis (1980) als losse, onsamenhangende mozaïeksteentjes zijn samengevoegd, slaagt Cohen erin om die als episodes te integreren in een, weliswaar op de achtergrond, doorlopende verhaallijn. Maar het werkelijk innovatieve element is toch de kunstgreep waarmee de contemporaine architectuur als speler op het toneel van de wereldgeschiedenis wordt voorgesteld. In deze methodisch-theoretische operatie speelt het begrip ‘hegemonie’ een sleutelrol.
Dit is een aan de politiek-economische ideeën van Antonio Gramsci ontleend concept, dat door Cohen al vanaf het begin van de jaren tachtig in het architectuurdebat is geïntroduceerd. Het is weer zo’n typisch voorbeeld van intellectuele kruisbestuiving tussen Italië en Frankrijk na 1968, toen de fascinatie voor de Italiaanse architectonische cultuur convergeerde met de van staatswege reconstructie van het architectuuropleiding in Frankrijk.[iii] Binnen de politieke theorie van Gramsci verwijst het begrip hegemonie naar de interactie van macht en controle: tussen nationale staten, maatschappelijke stelsels en klassen, waarbij moreel en intellectueel leiderschap niet wordt afgedwongen of opgelegd maar wordt uitgewisseld, geïntegreerd en geassimileerd. Toegepast op de geschiedenis van politiek en cultuur in de twintigste eeuw functioneert het als een analytisch begrip waarmee machtspolitieke verschuivingen worden doorgelicht met alle daaraan gekoppelde geopolitieke, economische en culturele offensieven. Want het zijn niet enkel politieke of militaire feiten zoals de beide Wereldoorlogen, de Russische Revolutie of het einde van de Koude Oorlog die de architectuurgeschiedenis structureren. Cohen spreekt over een  ‘carrousel’ van hegemonieën: diverse vormen en systemen van macht, overheersing en beïnvloeding op gebied van technische en industriële productie, van imperialisme tot aan toerisme toe, die door de architectuur worden uitgedragen en in het architectonische vocabulaire worden gereflecteerd. Maar dat leidde allesbehalve tot architectonische homogenisering of uniformering, laat staan tot een ‘Internationale Stijl’. Integendeel, de kernhoofdstukken over de ‘modernisering van de stad’ (14), ‘internationalisering en haar netwerken en spektakels’(15), de ‘Amerikaanse moderniteit’(18),’functionalisme en machine esthetiek’(19) en met name ook hoofdstuk 20 over ‘hoe de vele talen van het architectonisch modernisme de wereld veroveren’ laten juist de grote verschillen zien tussen de internationale en locale context waarin projecten zowel voor particuliere (elite) opdrachtgevers als voor overheden werden uitgevoerd. Nergens worden de poreusiteit en tegelijk ook de veerkracht en aanpassingsvermogen van ontvangende, locale gemeenschappen duidelijker zichtbaar dan in het hoogst originele hoofdstuk over ‘koloniale experimenten, en de opkomst van nieuwe, nationale staten’(21). Waar in de standaard geschiedenissen over moderne architectuur de niet-westerse wereld steevast ontbreekt, werkt Cohen zijn eerder in Casablanca: mythes et figures d’une aventure urbaine (1998) ontwikkelde hypothese verder uit. En laat hij zien hoe steden in Noord Afrika, Turkije en Palestina (Israël) zich in de koloniale en postkoloniale era voortdurend herdefiniëren, en, in architectonische zin, hybridiseren door het combineren van verschillende, culturele repertoires afkomstig uit zowel Parijs, New York, Berlin of Los Angeles. En hoe die repertoires uiteindelijk weer repercussies hebben op de exotische uitwassen van postmodernistische architectuur in de Westerse hoofdsteden.
Jean-Louis Cohen heeft een ongehoord fascinerend standaardwerk geschreven, een even geleerd als leesbaar boek dat door de uitgever (Phaidon) geheel ten onrechte als een (te) duur coffeetable boek op de markt is gebracht.




[i] Andrew Leach, Choosing History. A Study of Manfredo Tafuri’s Theorisation of Architectural History Research (Gent 2005/6).
[ii] Carlo Olmo, Architettura e Novecento. Diritti, conflitti, valori, Roma 2010
[iii] Jean-Louis Cohen, ‘The Italophiles at Work’ (1984), herdrukt in: K.Michael Hayes (ed.), Architecture Theory Since 1968 , Cambridge (Mass.), London 1998, 480-489

zaterdag 31 mei 2014

Duitse visie op stadsonderzoek

Steden kun je, net als mensen, herkennen aan hun gang

Naar aanleiding van een nieuw handboek voor stadstudies

Soms moet je een boek tot aan de laatste bladzijde uitlezen om te begrijpen waar het eigenlijk over gaat. Stadt, een nieuw handboek over stadsstudies, dwingt de lezer vanaf de eerste pagina zich goed te oriënteren in de tekst en zich voortdurend af te vragen welke kant hij wordt opgestuurd.  Stadt, is een recent overzicht over interdisciplinair stadsonderzoek waarin vooral de maatschappelijke, economische en artistieke waarden van cultuur voor de stad tegenover elkaar worden uitgespeeld.
Een van de vele vragen die tijdens het bestuderen van Stadt bij me opkwam – en waar de lezer ook geen echt antwoord op krijgt – is: waar liggen de steden waarover in dit boek wordt gesproken? In Duitsland, Europa, de Westelijke wereld of overal tegelijk? Hoewel het nergens met zoveel woorden wordt gezegd, is Stadt een door Duitstalige onderzoekers samengesteld, comparatief handboek over de stand van zaken in het huidige onderzoek naar de Europese stad. Inhoudelijk gezien is dit zeker geen beperking, want in toonzetting en inhoud ademt het boek dezelfde kosmopolitische sfeer als het Georg-Simmel-Zentrum für Metropolenforschung in Berlijn, waar het boek uiteindelijk uit is voortgekomen.
Het is een representatief handboek waarin de belangrijkste stromingen, begrippen, theorieën en inzichten op het brede terrein van stadstudies aan de orde komen. Een boek waar al degene die in de praktijk van bestuur, inrichting en gebruik van steden werkzaam zijn evenveel plezier van kunnen hebben als de vele onderzoekers die ieder vanuit hun eigen discipline de stad dagelijks observeren en proberen te analyseren. Maar zelfs de academische specialisten zullen moeite hebben met het ontdekken van het onderliggende argument van het boek, namelijk de noodzaak om de economische aannames over cultuur te toetsen aan de inzichten vanuit het vakgebied van de cultural studies. De onduidelijkheid hierover heeft meer te maken met de wat cryptische inleiding van Harald Mieg dan met de opbouw van het boek. Die is eenvoudig en bestaat uit twee delen. In het eerste wordt de stad voorgesteld als terrein van multidisciplinair onderzoek aan de hand van een serie historiografische en thematische essays over de vakgebieden met gespecialiseerde subdisciplines over de stad zoals: architectuur, geografie, sociologie, economie, archeologie, ecologie, politieke wetenschappen en, tenslotte, bestuurskunde (gemeenterecht). In het tweede deel gaat het niet over wat er zich allemaal in de stad afspeelt, maar staat de stad zelf, als culturele ruimte en textuur centraal. Dit is het domein van de cultural studies en van de disciplines (kunst- en literatuurgeschiedenis) te midden waarvan deze relatief nieuwe discipline zich probeert staande te houden.
In zijn inleiding schets Harald Mieg een toekomstperspectief voor de stadsstudies. Daarin neemt hij het in de titel van het boek gebruikte begrip ‘ interdisciplinariteit’ heel letterlijk. Het gaat hem niet alleen om het gebruik van kennis van de ene discipline naar een andere tak van wetenschap (transdisciplinair) of om het vanuit twee of meerdere disciplines bestuderen van verschillen de aspecten van het stedelijk milieu (multidisciplinair), maar om de integratie van kennis, om het zetten van stappen naar een nieuwe wetenschap: die van de stadsstudies waarvan met name de stadsecologie – met expertise op gebied van modelontwikkeling -  een inspirerend voorbeeld is. Hoe een dergelijk superdiscipline er uiteindelijk uit zou moeten zien en waar en door wie tot stand gebracht, laat hij echter (wijselijk) in het ongewisse.
In plaats daarvan ontvouwt Mieg een soort metroplan, een routekaart waarop iedere wetenschappelijke discipline van de stad een eigen traject en kleur heeft. Daar staan ook de overstapstations op ingetekend waar de beste kansen liggen voor innovatief interdisciplinair stadsonderzoek. Het zijn drie thematisch opgetuigde platforms die geheel in het teken staan van mondiale transities in het denken over respectievelijk de economie, cultuur en het politiek-bestuurlijk bestel. Kortheidshalve beperken we ons hier tot de eerste twee stations.
Steden vervullen in een kennisintensieve samenleving een cruciale rol. Sinds Lissabon 2000 staan wetenschap en technologie als factor in de economische productie hoog op de Europese agenda. In Duitsland bijvoorbeeld positioneren metropolitane regio’s als München, Frankfurt of Hamburg zich als een post-industriële economie met zakelijke, publieke en creatieve dienstverlening als dragende sectoren. In die omgeving floreren niet alleen culturele bedrijfstakken maar profiteren ook andere sectoren in de economie van de dynamiek van de creatief scheppende beroepen. Door die verwevenheid zorgen kunst, wetenschap en social design – in de vorm van universiteiten, musea, gebouwen, performances en evenementen – voor een niet onbelangrijke economische meerwaarde voor de stad als aantrekkelijk en competitief ondernemingsmilieu. Deze onderwerpen komen uitvoerig aan de orde in de buitengewoon informatieve hoofdstukken over stadsgeografie, stadssociologie en stedelijke economie, de enige essays die overigens expliciet ingaan op de stad als plaats bij uitstek van kennisproductie.
            In dit debat tussen stadseconomen en economisch geografen en sociologen zou een stevige bijdrage over de architectuur op zijn plaats zijn geweest. Helaas is het desbetreffende essay geschreven door een auteur die in alle opzichten de juiste metrohalte heeft gemist. Hoe hardnekkig Mieg in zijn inleiding ook de architectuur aanwijst als een van de kerndisciplines van de stad, het stuk van bouwhistoricus Johannes Cramer heeft een sterk autistische inslag en zoekt op geen enkele manier aansluiting met het niet alleen in Duitsland levendige debat (en theorievorming) over de economische en vooral maatschappelijke betekenis van (stads) architectuur. Geen woord over de cruciale Duitse bijdrage aan het denken over de Europese stad na de Tweede Wereldoorlog, over de internationale weerklank van de Berlijnse bouwcultuur (‘ kritische reconstructie’ ) of van de festivalisering van stedelijke en regionale revitaliseringprogramma’s in de vorm van het instituut van de Internationale Bauausstellung (IBA).
            Het tweede deel van dit handboek over stadsonderzoek is geheel gewijd aan de stad als culturele ruimte, en bevat enkele goed gedocumenteerde hoofdstukken over: stad en literatuur, stad en stedelijkheid als thema van beeldende kunst en theater, het geheugen van de stad en, enigszins verrassend, stad en religie. Het sleutelstuk echter is van de Weense etnoloog Jens Wietschorke, met zijn bijdrage over concepten en perspectieven van de stadsantropologie. In een prachtig opgebouwd betoog laat hij zien hoe de toenemende betekenis van de culturele economie voor zowel de politiek als economie van de stad, stadsonderzoekers dwingt tot een cultuurwetenschappelijke reflectie over de productie, verschijningsvormen en receptie van beelden in een symbolische economie. Het economisch begrip van stadscultuur vraagt als het ware om een sociaal- en vooral cultuurwetenschappelijke tegenbeeld. Uit Wietschorke’s bijdrage blijkt hoezeer dit thema hoog op de agenda van het Duits stadsonderzoek staat en hoe de interdisciplinaire samenwerking tussen cultuurgeografen, -sociologen en antropologen intussen geleid heeft tot de formatie van een nieuwe discipline: die van de culturele antropologie van de stad.
            ‘ Steden kun je, net als mensen, herkennen aan hun gang’ , is een bekende en veel geciteerde uitspraak van de Oostenrijkse schrijver Robert Musil. Dichters, schrijvers en cineasten weten dat natuurlijk al lang, maar sinds kort zijn  ook wetenschappers daarover aan het nadenken. In een globaliserende economie waarbinnen de locatie sterk aan betekenis heeft gewonnen, is de vraag naar wat een plaats uniek maakt, bijzonder relevant. Sinds het begin van de vorige eeuw zijn we vertrouwd met de stelling dat de structuur van de moderne kapitalistische samenleving met zijn patronen van productie en consumptie, niet alleen een materiële uitwerking heeft, maar ook de mentaliteit en cultuur van de samenleving impregneert. Werden steden aanvankelijk ingedeeld naar hun van oudsher dominante economische functie (koopmansstad, industriestad), sinds kort zijn die ideaaltypen opgewerkt tot volwaardige karakterbeelden. Sommige (Duitse) sociologen en etnologen zien steden als echte persoonlijkheden met individuele neigingen *( ‘ habitus’ ) en intrinsieke eigenschappen (‘ Eigenlogik’) . Niet alle onderzoekers – sociologen voorop – zijn even gelukkig met deze verpersoonlijking van de stad en vinden dat de culturele infiltratie van het stadsonderzoek riekt naar cultuurhistorisch determinisme en daarmee voorbij schiet aan de complexiteit van de sociaal-economische werkelijkheid. Maar Wietschorke laat zien dat in een dergelijke benadering de stad niet wordt gereduceerd tot product van de geschiedenis, maar juist integendeel, wordt voorgesteld als plaats waar de geschiedenis zich volgens bepaalde patronen voltrekt (padafhankelijkheid). De stad is als het ware de ontwerper van haar eigen geschiedenis. Sterker nog: ‘ Eigenlogik’  en ‘ Habitus’  zijn  ook relationele begrippen waarmee niet zozeer de stad in  algemene zin – de stad als container -  wordt aangeduid maar vooral ook de motieven achter het handelen van stedelijke spelers – politici, bestuurders, ondernemers, bewoners -  en de netwerken van waaruit die opereren. Culturele identiteit van steden – hoe je die ook benoemen wilt – is geen reclamevliegtuigje dat voortdurend boven de stad cirkelt, maar een set van waarden en gevoeligheden die besloten liggen in de denkwijzen en handelen van zowel mensen als organisaties die de dynamiek van de stad bepalen. Op welke wijze cultuur deel uitmaakt van het stedelijk milieu, niet alleen gekoppeld is aan professionele kringen van architecten, schrijvers, beeldend kunstenaars of cineasten, maar ook aan tal van sociale groepen en organisaties en hoe die tezamen de intrinsieke logica van de stad (re)produceren, dat is het onderwerp van de nieuwe discipline, die van de culturele antropologie van de stad.
            Met de presentatie van deze vorm van stadsantropologie, namelijk als een vanuit de cultuurwetenschappen ontwikkelde reflectie op de claims en aannames van een culturele economie in opmars, krijgt dit handboek ook inhoudelijk een fraaie symmetrie. Toch zijn daar wel enkele kanttekeningen bij te maken. Terwijl op dit moment tal van geografen, politieke wetenschappers en zelfs archeologen of het begrip stad nog wel bruikbaar is bij de analyse van zowel de oorsprong van de urbanisatie als van de huidige dynamiek, blijven de antwoorden daarop vanuit de cultuurwetenschappen – althans in dit boek – volledig buiten beschouwing. De routekaart die Wietschorke voor een nieuwe stadsantropologie uitstippelt beperkt zich – en hij geeft dat ook ruiterlijk toe – tot een bepaald type stad: de klassieke Europese binnenstad. Het onderzoek naar de hybride verschijningsvormen van het verschijnen en verdwijnen van de stad is een relatief onontgonnen terrein waar nog wel wat ouderwets antropologisch veldwerk te verrichten valt.


Harald A. Mieg & Christoph Heyl (Hrsg.), Stadt.  Ein interdisziplinäres Handbuch. Stuttgart-Weimar: Verlag J.B. Metzler, 2012