woensdag 25 juni 2014

Dat is Architectuurgeschiedenis

Recensie

Ed Taverne

Net als architecten zijn ook historici bij uitstek constructeurs, die heel zorgvuldig proberen greep te krijgen op de technische, economische, juridische en psychologische krachten die een gebouw tot vorm brengen. Dit soort uitspraken lijken vanzelfsprekend, zijn het ook, maar wekken tegelijk ook de suggestie van spanningen tussen enerzijds architectonische theorie en geschiedenis en, aan de andere kant, de architectuurpraktijk. Nu op dit moment de verhouding tussen geschiedenis en architectuur geen brandende kwestie (meer) is, zijn we geneigd te vergeten hoezeer het debat daarover, internationaal gezien, de toon heeft gezet binnen de architectonische cultuur na de Tweede Wereldoorlog. Kijk eens naar de eerste architectuuroverzichten, die van Giedion (1941) of Joedicke ( 1958): die ontleenden hun grote populariteit niet alleen bij architecten maar ook bij bestuurders en zelfs journalisten, op de eerste plaats aan hun eenduidige boodschap: het bieden van een bruikbare handreiking voor een nieuwe start van de architectuur na 1945, met als belangrijkste keurmerk de eenheid van vorm en constructie. Het was het ideaal van een eigentijdse architectuur die haar wortels had in het moderne bouwen vóór 1933. Historiografisch zijn dit belangrijke handboeken omdat hier uit de pluriforme, vooroorlogse bouwproductie een selectie werd gemaakt en een kanon werd opgesteld die van blijvende invloed zou zijn op onze visie op de ontwikkelingsgeschiedenis van het bouwen in de twintigste eeuw. Een hardnekkige kanon van persoonlijkheden, stijlen, bewegingen en gebouwen die steevast terug te vinden is in alle nadien verschenen, grote architectuuroverzichten: die van Benevolo, Zevi, Tafuri & Dal Co, Frampton, Curtis en Olmo. En het zal ook niemand verbazen dat deze kanon – uiteraard aangepast en geüpdatet -  ook het ijzersterke skelet is waaromheen Jean-Louis Cohen zijn versie van de contemporaine architectuur heeft geconstrueerd.
Eind jaren zestig kwam er, tegelijk met de crisis in de naoorlogse variant van het modernisme in de bouw, ook een einde aan de intieme verwantschap tussen  architectuur en geschiedenis. In 1968 publiceerde de Italiaanse architect/historicus Manfredo Tafuri zijn Teorie e Storia dell’Architettura dat onbetwist beschouwd wordt als de eerste en meest expliciete reflectie over het theoretische spanningsveld ‘tussen verleden en geschiedenis, tussen onderzoek en geschiedenis,, tussen schrijven en reflecteren, tussen project en productie’.[i] Tafuri en diens geestverwanten en medewerkers aan het Instituut voor Architectuurgeschiedenis van de Universiteit van Venetië (Dal Co, De Michelis, Teyssot e.a.) forceerden een  cruciale cesuur in de historiografie van de naoorlogse architectuurgeschiedenis door de geschiedenis te ‘bevrijden’ uit de houdgreep van de architectuurpraktijk. In het huidige Tafuri-onderzoek gaat het niet primair niet om het context geven aan Tafuri’s marxistische herschrijving van de geschiedenis van de moderne architectuur – de rol van de avant-garde in de ontwikkeling van het kapitalisme – maar veeleer om de betekenis van Tafuri voor de verzelfstandiging van de geschiedschrijving als mestiere (ambacht), als een ten opzichte van de architectuur autonome en kritische praktijk.  Die wending maakte een definitief einde aan het gangbare,  door Pevsner ontworpen, optimistische narratief ‘Van Morris tot Gropius’ en zette daar een versplinterd geschiedbeeld voor in de plaats. Maar veel belangrijker nog waren de openingen die Tafuri c.s. maakte vanuit de geschiedenis naar tal van andere disciplines, zoals sociologie, geografie, economie en, niet op de laatste plaats, semiotiek. De disciplinaire ‘verlossing’ leidde tot vakinhoudelijke verbreding en verrijking met ingrijpende gevolgen voor de geschiedschrijving van het eigentijdse bouwen. Die werden voor het eerst zichtbaar in het door Tafuri samen met Francesco dal Co geschreven, monumentale handboek Architettura Contemporanea (1976). Hierin wordt de architectuurontwikkeling niet geanalyseerd aan de hand van stijlen, persoonlijkheden of individuele gebouwen – die worden hooguit afgebeeld maar niet of nauwelijks beschreven – maar voornamelijk vanuit intellectuele (contra) bewegingen, denksystemen en institutionele kaders. In hoofdstukken zoals: ‘opkomst van de stedelijke planning binnen de industriële economie van de USA’; ‘Deutsche Werkbund versus Großstadt’; ‘het Rode Wenen: woonpolitiek in het socialistisch Wenen’; ‘architectuur & stad in de USA in de progressieve era en de New Deal’ of ‘stadsplanning en bouwpolitiek na de Tweede Wereldoorlog’’ gaat het uiteindelijk niet om gebouwen en planconcepten van een historische context te voorzien maar om de vraag in ‘hoeverre vanuit de architectonische taal hypotheses kunnen worden afgeleid met betrekking tot collectieve doelen en bestemmingen.’ De impact van de disciplinaire reconstructie van  de architectuurgeschiedenis – en in bredere zin, van de versterking van de relatie tussen architectonische praktijk en intellectuele cultuur – was wereldwijd enorm. In het bijzonder op toonaangevende architectuuropleidingen zoals die in Turijn (Carlo Olmo), New York (IAUS; Colombia University; Eisenman, Vidler, Frampton) en ook in Parijs. Hier was het vooral Jean-Louis Cohen die al heel vroeg de fundamentele betekenis van  Manfredo Tafuri’s onderzoek voor zowel de geschiedschrijving als de architectuurpraktijk onderkende en ook persoonlijk heeft bijgedragen aan de wereldwijde disseminatie van de Venetiaanse hypotheses door a) baanbrekende coproducties met de Venetiaanse onderzoekers zoals die over USSR, 1917-1978: la città, l’architettura (1979) en b)  een schier alom tegenwoordigheid bij en actieve deelname aan vrijwel alle internationale seminars op gebied van de architectuurgeschiedenis in de afgelopen drie decennia.
Op dit moment wordt het denken over de verhoudingen tussen architectonische praktijk, geschiedenis en theorie gedomineerd door een thema dat weliswaar voortvloeit uit de Tafuriaanse revolutie, maar desalniettemin een geheel andere richting inslaat. In 2010 verscheen van de hand van Carlo Olmo een bescheiden boekje over de wegen en dwaalwegen in de architectuurgeschiedenis van de twintigste eeuw.[ii] Samengevat gaat het om de beantwoording van twee, spiegelbeeldige vragen: in hoeverre kan de architectuurgeschiedenis met recht een plaats opeisen in het debat over de historiografie van de twintigste eeuw? En, vervolgens, hoe komt het dat in de talloze discussies over de specificiteit van dit tijdvak binnen de geschiedenis – over de dimensies van tijd en ruimte, begrippen en maatschappelijke domeinen – hoe komt het dat de architectuur daar volledig ontbreekt? Het lijkt erop alsof Olmo, veertig jaar later,  de balans wil opmaken van het ambitieuze programma dat indertijd door Tafuri c.s. zowel voor de architectuur als de geschiedschrijving is opgesteld. Dat uitgesproken Olmo zich dit soort vragen stelt, is niet toevallig. Hij is een van de zeldzame architectuurhistorici die allang geleden een geslaagde koppeling tussen architectuur- en stadsgeschiedenis heeft gemaakt door de samenwerking met de Franse stadshistoricus Bernard Lepetit. Een wederzijdse bevruchting die, wat Olmo betreft, heeft geleid tot een in 1989 gepubliceerde speurtocht naar de wortels van de moderne architectuur in de vele geschiedenissen van de pre-industriële era: die van het achttiende-eeuwse architectuurdebat, van het esthetisch eclecticisme van de Encyclopedie als erfenis voor de negentiende eeuw, maar ook van de premoderne vastgoedregimes in de diverse Europese steden en de daaraan gekoppelde sociale mobiliteit. Olmo weet waar hij over praat als hij pleit voor een scherpere positionering van het door de architectuur verdedigde idee van moderniteit binnen de historiografie van de twintigste eeuw. Maar wat moeten we ons daar concreet bij voorstellen? Het meest recente en tegelijk ook indrukwekkende voorbeeld van een dergelijk breed uitgemeten, historisch panorama van de twintigste eeuw, is het door Tony Judt samen met Timothy Snyder geschreven Thinking the Twentieth Century (2012). Dat is geen cultuurgeschiedenis zoals we die kennen van bijvoorbeeld Simon Schama, maar een genuanceerde politieke ideeëngeschiedenis waarin naast films, gedichten en romans, ook ontwerpers en hun opdrachtgevers- zoals die uit het ‘Rode Wenen’ -  worden opgevoerd als invloedrijke spelers in een emancipatorisch, politiek project.
 Het in 2011 verschenen, monumentale handboek van Jean-Louis Cohen, kan met recht worden beschouwd als het eigenlijke antwoord op de door Carlo Olmo gestelde vragen: ja, het is mogelijk om een architectuurgeschiedenis van de twintigste eeuw te schrijven waarin de architectuur op overtuigende wijze is geïntegreerd in een narratief framewerk van de contemporaine geschiedenis. In The Future of Architecture since 1889 komen alle historiografische tradities van de eigentijdse architectuur op een unieke wijze samen: het wordt gedragen door de bekende reeks van canonieke gebouwen, persoonlijkheden en stijlen, maar die figureren hier slechts als (uitgangs) punten in wereldwijde netwerken van nieuwe domeinen, brandpunten en keyworks. En inderdaad, het is een kritische en gedistantieerde geschiedschrijving, maar het mist gelukkig het pathos en de gekunsteldheid dat het Venetiaanse voorwerk vaak zo ondoorgrondelijk maakt. En net als dat van Kenneth Frampton, telt ook dit nieuwe overzicht vijfendertig hoofdstukken, maar waar die in Moderne Architectuur. Een kritische geschiedenis (1980) als losse, onsamenhangende mozaïeksteentjes zijn samengevoegd, slaagt Cohen erin om die als episodes te integreren in een, weliswaar op de achtergrond, doorlopende verhaallijn. Maar het werkelijk innovatieve element is toch de kunstgreep waarmee de contemporaine architectuur als speler op het toneel van de wereldgeschiedenis wordt voorgesteld. In deze methodisch-theoretische operatie speelt het begrip ‘hegemonie’ een sleutelrol.
Dit is een aan de politiek-economische ideeën van Antonio Gramsci ontleend concept, dat door Cohen al vanaf het begin van de jaren tachtig in het architectuurdebat is geïntroduceerd. Het is weer zo’n typisch voorbeeld van intellectuele kruisbestuiving tussen Italië en Frankrijk na 1968, toen de fascinatie voor de Italiaanse architectonische cultuur convergeerde met de van staatswege reconstructie van het architectuuropleiding in Frankrijk.[iii] Binnen de politieke theorie van Gramsci verwijst het begrip hegemonie naar de interactie van macht en controle: tussen nationale staten, maatschappelijke stelsels en klassen, waarbij moreel en intellectueel leiderschap niet wordt afgedwongen of opgelegd maar wordt uitgewisseld, geïntegreerd en geassimileerd. Toegepast op de geschiedenis van politiek en cultuur in de twintigste eeuw functioneert het als een analytisch begrip waarmee machtspolitieke verschuivingen worden doorgelicht met alle daaraan gekoppelde geopolitieke, economische en culturele offensieven. Want het zijn niet enkel politieke of militaire feiten zoals de beide Wereldoorlogen, de Russische Revolutie of het einde van de Koude Oorlog die de architectuurgeschiedenis structureren. Cohen spreekt over een  ‘carrousel’ van hegemonieën: diverse vormen en systemen van macht, overheersing en beïnvloeding op gebied van technische en industriële productie, van imperialisme tot aan toerisme toe, die door de architectuur worden uitgedragen en in het architectonische vocabulaire worden gereflecteerd. Maar dat leidde allesbehalve tot architectonische homogenisering of uniformering, laat staan tot een ‘Internationale Stijl’. Integendeel, de kernhoofdstukken over de ‘modernisering van de stad’ (14), ‘internationalisering en haar netwerken en spektakels’(15), de ‘Amerikaanse moderniteit’(18),’functionalisme en machine esthetiek’(19) en met name ook hoofdstuk 20 over ‘hoe de vele talen van het architectonisch modernisme de wereld veroveren’ laten juist de grote verschillen zien tussen de internationale en locale context waarin projecten zowel voor particuliere (elite) opdrachtgevers als voor overheden werden uitgevoerd. Nergens worden de poreusiteit en tegelijk ook de veerkracht en aanpassingsvermogen van ontvangende, locale gemeenschappen duidelijker zichtbaar dan in het hoogst originele hoofdstuk over ‘koloniale experimenten, en de opkomst van nieuwe, nationale staten’(21). Waar in de standaard geschiedenissen over moderne architectuur de niet-westerse wereld steevast ontbreekt, werkt Cohen zijn eerder in Casablanca: mythes et figures d’une aventure urbaine (1998) ontwikkelde hypothese verder uit. En laat hij zien hoe steden in Noord Afrika, Turkije en Palestina (Israël) zich in de koloniale en postkoloniale era voortdurend herdefiniëren, en, in architectonische zin, hybridiseren door het combineren van verschillende, culturele repertoires afkomstig uit zowel Parijs, New York, Berlin of Los Angeles. En hoe die repertoires uiteindelijk weer repercussies hebben op de exotische uitwassen van postmodernistische architectuur in de Westerse hoofdsteden.
Jean-Louis Cohen heeft een ongehoord fascinerend standaardwerk geschreven, een even geleerd als leesbaar boek dat door de uitgever (Phaidon) geheel ten onrechte als een (te) duur coffeetable boek op de markt is gebracht.




[i] Andrew Leach, Choosing History. A Study of Manfredo Tafuri’s Theorisation of Architectural History Research (Gent 2005/6).
[ii] Carlo Olmo, Architettura e Novecento. Diritti, conflitti, valori, Roma 2010
[iii] Jean-Louis Cohen, ‘The Italophiles at Work’ (1984), herdrukt in: K.Michael Hayes (ed.), Architecture Theory Since 1968 , Cambridge (Mass.), London 1998, 480-489

zaterdag 31 mei 2014

Duitse visie op stadsonderzoek

Steden kun je, net als mensen, herkennen aan hun gang

Naar aanleiding van een nieuw handboek voor stadstudies

Soms moet je een boek tot aan de laatste bladzijde uitlezen om te begrijpen waar het eigenlijk over gaat. Stadt, een nieuw handboek over stadsstudies, dwingt de lezer vanaf de eerste pagina zich goed te oriënteren in de tekst en zich voortdurend af te vragen welke kant hij wordt opgestuurd.  Stadt, is een recent overzicht over interdisciplinair stadsonderzoek waarin vooral de maatschappelijke, economische en artistieke waarden van cultuur voor de stad tegenover elkaar worden uitgespeeld.
Een van de vele vragen die tijdens het bestuderen van Stadt bij me opkwam – en waar de lezer ook geen echt antwoord op krijgt – is: waar liggen de steden waarover in dit boek wordt gesproken? In Duitsland, Europa, de Westelijke wereld of overal tegelijk? Hoewel het nergens met zoveel woorden wordt gezegd, is Stadt een door Duitstalige onderzoekers samengesteld, comparatief handboek over de stand van zaken in het huidige onderzoek naar de Europese stad. Inhoudelijk gezien is dit zeker geen beperking, want in toonzetting en inhoud ademt het boek dezelfde kosmopolitische sfeer als het Georg-Simmel-Zentrum für Metropolenforschung in Berlijn, waar het boek uiteindelijk uit is voortgekomen.
Het is een representatief handboek waarin de belangrijkste stromingen, begrippen, theorieën en inzichten op het brede terrein van stadstudies aan de orde komen. Een boek waar al degene die in de praktijk van bestuur, inrichting en gebruik van steden werkzaam zijn evenveel plezier van kunnen hebben als de vele onderzoekers die ieder vanuit hun eigen discipline de stad dagelijks observeren en proberen te analyseren. Maar zelfs de academische specialisten zullen moeite hebben met het ontdekken van het onderliggende argument van het boek, namelijk de noodzaak om de economische aannames over cultuur te toetsen aan de inzichten vanuit het vakgebied van de cultural studies. De onduidelijkheid hierover heeft meer te maken met de wat cryptische inleiding van Harald Mieg dan met de opbouw van het boek. Die is eenvoudig en bestaat uit twee delen. In het eerste wordt de stad voorgesteld als terrein van multidisciplinair onderzoek aan de hand van een serie historiografische en thematische essays over de vakgebieden met gespecialiseerde subdisciplines over de stad zoals: architectuur, geografie, sociologie, economie, archeologie, ecologie, politieke wetenschappen en, tenslotte, bestuurskunde (gemeenterecht). In het tweede deel gaat het niet over wat er zich allemaal in de stad afspeelt, maar staat de stad zelf, als culturele ruimte en textuur centraal. Dit is het domein van de cultural studies en van de disciplines (kunst- en literatuurgeschiedenis) te midden waarvan deze relatief nieuwe discipline zich probeert staande te houden.
In zijn inleiding schets Harald Mieg een toekomstperspectief voor de stadsstudies. Daarin neemt hij het in de titel van het boek gebruikte begrip ‘ interdisciplinariteit’ heel letterlijk. Het gaat hem niet alleen om het gebruik van kennis van de ene discipline naar een andere tak van wetenschap (transdisciplinair) of om het vanuit twee of meerdere disciplines bestuderen van verschillen de aspecten van het stedelijk milieu (multidisciplinair), maar om de integratie van kennis, om het zetten van stappen naar een nieuwe wetenschap: die van de stadsstudies waarvan met name de stadsecologie – met expertise op gebied van modelontwikkeling -  een inspirerend voorbeeld is. Hoe een dergelijk superdiscipline er uiteindelijk uit zou moeten zien en waar en door wie tot stand gebracht, laat hij echter (wijselijk) in het ongewisse.
In plaats daarvan ontvouwt Mieg een soort metroplan, een routekaart waarop iedere wetenschappelijke discipline van de stad een eigen traject en kleur heeft. Daar staan ook de overstapstations op ingetekend waar de beste kansen liggen voor innovatief interdisciplinair stadsonderzoek. Het zijn drie thematisch opgetuigde platforms die geheel in het teken staan van mondiale transities in het denken over respectievelijk de economie, cultuur en het politiek-bestuurlijk bestel. Kortheidshalve beperken we ons hier tot de eerste twee stations.
Steden vervullen in een kennisintensieve samenleving een cruciale rol. Sinds Lissabon 2000 staan wetenschap en technologie als factor in de economische productie hoog op de Europese agenda. In Duitsland bijvoorbeeld positioneren metropolitane regio’s als München, Frankfurt of Hamburg zich als een post-industriële economie met zakelijke, publieke en creatieve dienstverlening als dragende sectoren. In die omgeving floreren niet alleen culturele bedrijfstakken maar profiteren ook andere sectoren in de economie van de dynamiek van de creatief scheppende beroepen. Door die verwevenheid zorgen kunst, wetenschap en social design – in de vorm van universiteiten, musea, gebouwen, performances en evenementen – voor een niet onbelangrijke economische meerwaarde voor de stad als aantrekkelijk en competitief ondernemingsmilieu. Deze onderwerpen komen uitvoerig aan de orde in de buitengewoon informatieve hoofdstukken over stadsgeografie, stadssociologie en stedelijke economie, de enige essays die overigens expliciet ingaan op de stad als plaats bij uitstek van kennisproductie.
            In dit debat tussen stadseconomen en economisch geografen en sociologen zou een stevige bijdrage over de architectuur op zijn plaats zijn geweest. Helaas is het desbetreffende essay geschreven door een auteur die in alle opzichten de juiste metrohalte heeft gemist. Hoe hardnekkig Mieg in zijn inleiding ook de architectuur aanwijst als een van de kerndisciplines van de stad, het stuk van bouwhistoricus Johannes Cramer heeft een sterk autistische inslag en zoekt op geen enkele manier aansluiting met het niet alleen in Duitsland levendige debat (en theorievorming) over de economische en vooral maatschappelijke betekenis van (stads) architectuur. Geen woord over de cruciale Duitse bijdrage aan het denken over de Europese stad na de Tweede Wereldoorlog, over de internationale weerklank van de Berlijnse bouwcultuur (‘ kritische reconstructie’ ) of van de festivalisering van stedelijke en regionale revitaliseringprogramma’s in de vorm van het instituut van de Internationale Bauausstellung (IBA).
            Het tweede deel van dit handboek over stadsonderzoek is geheel gewijd aan de stad als culturele ruimte, en bevat enkele goed gedocumenteerde hoofdstukken over: stad en literatuur, stad en stedelijkheid als thema van beeldende kunst en theater, het geheugen van de stad en, enigszins verrassend, stad en religie. Het sleutelstuk echter is van de Weense etnoloog Jens Wietschorke, met zijn bijdrage over concepten en perspectieven van de stadsantropologie. In een prachtig opgebouwd betoog laat hij zien hoe de toenemende betekenis van de culturele economie voor zowel de politiek als economie van de stad, stadsonderzoekers dwingt tot een cultuurwetenschappelijke reflectie over de productie, verschijningsvormen en receptie van beelden in een symbolische economie. Het economisch begrip van stadscultuur vraagt als het ware om een sociaal- en vooral cultuurwetenschappelijke tegenbeeld. Uit Wietschorke’s bijdrage blijkt hoezeer dit thema hoog op de agenda van het Duits stadsonderzoek staat en hoe de interdisciplinaire samenwerking tussen cultuurgeografen, -sociologen en antropologen intussen geleid heeft tot de formatie van een nieuwe discipline: die van de culturele antropologie van de stad.
            ‘ Steden kun je, net als mensen, herkennen aan hun gang’ , is een bekende en veel geciteerde uitspraak van de Oostenrijkse schrijver Robert Musil. Dichters, schrijvers en cineasten weten dat natuurlijk al lang, maar sinds kort zijn  ook wetenschappers daarover aan het nadenken. In een globaliserende economie waarbinnen de locatie sterk aan betekenis heeft gewonnen, is de vraag naar wat een plaats uniek maakt, bijzonder relevant. Sinds het begin van de vorige eeuw zijn we vertrouwd met de stelling dat de structuur van de moderne kapitalistische samenleving met zijn patronen van productie en consumptie, niet alleen een materiële uitwerking heeft, maar ook de mentaliteit en cultuur van de samenleving impregneert. Werden steden aanvankelijk ingedeeld naar hun van oudsher dominante economische functie (koopmansstad, industriestad), sinds kort zijn die ideaaltypen opgewerkt tot volwaardige karakterbeelden. Sommige (Duitse) sociologen en etnologen zien steden als echte persoonlijkheden met individuele neigingen *( ‘ habitus’ ) en intrinsieke eigenschappen (‘ Eigenlogik’) . Niet alle onderzoekers – sociologen voorop – zijn even gelukkig met deze verpersoonlijking van de stad en vinden dat de culturele infiltratie van het stadsonderzoek riekt naar cultuurhistorisch determinisme en daarmee voorbij schiet aan de complexiteit van de sociaal-economische werkelijkheid. Maar Wietschorke laat zien dat in een dergelijke benadering de stad niet wordt gereduceerd tot product van de geschiedenis, maar juist integendeel, wordt voorgesteld als plaats waar de geschiedenis zich volgens bepaalde patronen voltrekt (padafhankelijkheid). De stad is als het ware de ontwerper van haar eigen geschiedenis. Sterker nog: ‘ Eigenlogik’  en ‘ Habitus’  zijn  ook relationele begrippen waarmee niet zozeer de stad in  algemene zin – de stad als container -  wordt aangeduid maar vooral ook de motieven achter het handelen van stedelijke spelers – politici, bestuurders, ondernemers, bewoners -  en de netwerken van waaruit die opereren. Culturele identiteit van steden – hoe je die ook benoemen wilt – is geen reclamevliegtuigje dat voortdurend boven de stad cirkelt, maar een set van waarden en gevoeligheden die besloten liggen in de denkwijzen en handelen van zowel mensen als organisaties die de dynamiek van de stad bepalen. Op welke wijze cultuur deel uitmaakt van het stedelijk milieu, niet alleen gekoppeld is aan professionele kringen van architecten, schrijvers, beeldend kunstenaars of cineasten, maar ook aan tal van sociale groepen en organisaties en hoe die tezamen de intrinsieke logica van de stad (re)produceren, dat is het onderwerp van de nieuwe discipline, die van de culturele antropologie van de stad.
            Met de presentatie van deze vorm van stadsantropologie, namelijk als een vanuit de cultuurwetenschappen ontwikkelde reflectie op de claims en aannames van een culturele economie in opmars, krijgt dit handboek ook inhoudelijk een fraaie symmetrie. Toch zijn daar wel enkele kanttekeningen bij te maken. Terwijl op dit moment tal van geografen, politieke wetenschappers en zelfs archeologen of het begrip stad nog wel bruikbaar is bij de analyse van zowel de oorsprong van de urbanisatie als van de huidige dynamiek, blijven de antwoorden daarop vanuit de cultuurwetenschappen – althans in dit boek – volledig buiten beschouwing. De routekaart die Wietschorke voor een nieuwe stadsantropologie uitstippelt beperkt zich – en hij geeft dat ook ruiterlijk toe – tot een bepaald type stad: de klassieke Europese binnenstad. Het onderzoek naar de hybride verschijningsvormen van het verschijnen en verdwijnen van de stad is een relatief onontgonnen terrein waar nog wel wat ouderwets antropologisch veldwerk te verrichten valt.


Harald A. Mieg & Christoph Heyl (Hrsg.), Stadt.  Ein interdisziplinäres Handbuch. Stuttgart-Weimar: Verlag J.B. Metzler, 2012

maandag 28 april 2014

Nadenken over de Geschiedenis van de Stad


Recensie



Stadtleben ist den Europäern zur Normalität geworden und die Normalität außereuropäischer Städte gleichzeitig meist fremd geblieben.

Hartmut Kaelble





Wat blijft er uiteindelijk hangen als je na weken van studie een negenhonderd pagina’s dik handboek over stadsgeschiedenis met een zucht van verlichting mag dichtslaan? Zijn het flitsen van steden waar je nog nooit van gehoord hebt en die het verlangen om weer op reis te gaan hebben geprikkeld? Is het dat onrustige gevoel dat je talloze steden meende te kennen, maar dat die in de loop der jaren toch uit je handen blijken te zijn geglipt? Of zijn het hybridische en vaak onbegrijpelijke uitdrukkingen als ‘labiel rurbanisme’, ‘hydraulische steden’ of ‘plastisch stedelijk milieu’ die, als je erin slaagt om ze uit hun historisch verband te rukken, een verrassend licht werpen op steden uit onze eigen tijd?

Ja, allemaal waar, maar uit de zee van feiten, beweringen en jaartallen is dit toch eigenlijk bijvangst vergeleken met de hoofdvangst waar je na afloop mee blijft zitten, de kwellende vraag namelijk: wat is nu eigenlijk het nut van stadsgeschiedenis voor het begrijpen van steden en hun rol in de geschiedenis? Het antwoord op deze vraag zoek je tevergeefs in de inleiding van Peter Clark, de bedenker en redacteur van dit historisch te noemen megaproject. In plaats daarvan kun je beter terecht bij niemand minder dan Augustinus, kerkvader en mysticus uit de vierde eeuw na Christus en auteur van De Civitate Dei , een van de eerste voorbeelden van een geschiedschrijving van de wereld aan de hand van twee steden, die van God en die van de Aarde. Over de idee en  betekenis van de stad is sedert de Oudheid via tenminste twee sporen nagedacht en geschreven. Aan de ene kant zijn er de denkers zoals Augustinus en, om wat dichter bij huis te blijven, Spengler, Weber, Christaller, Lefebvre, Mumford, Doxiades en, waarom niet, Rem Koolhaas, die zich vooral bezighouden met generieke definities van de stad: met het benoemen van morfologische en functionele kenmerken die bepaalde typen van steden gemeenschappelijk hebben. Daarnaast marcheert een onoverzienbaar leger van gespecialiseerde onderzoekers die met hun gedetailleerde vragen en analyses  juist het unieke en onderscheidende van individuele steden proberen bloot te leggen. Dit lijken streng gescheiden trajecten, maar in de praktijk versterken ze elkaar, beter nog, in wetenschaps-filosofische zin kan de een niet zonder de ander. Heeft Augustinus’ idee van de stad als ‘quintessence’ van de geschiedenis van de mensheid in eerste instantie theologen geïnspireerd, vanaf het begin van de vorige eeuw laten filosofen zich leiden door Spengler, historici, economen en sociologen door de denkbeelden en definities van Max Weber, werken archeologen, geografen en planologen met de modellen en denkbeelden van Christaller, politiek economen met het theoretisch framework van Lefebvre en vinden architecten, stedenbouwers inspiratie in de theorieën en uitspraken van architectonische denkers als Doxiades en Koolhaas. Cities in World History is een boek over stadsgeschiedenis, maar dan wel geschreven door specialisten: archeologen, economen, geografen en, uiteraard, ook historici. En de fundamentele zwakte van het boek is, dat die overigens fascinerende, interdisciplinaire aanpak nergens geëxpliciteerd, laat staan geproblematiseerd wordt waardoor de relevantie van de historische dimensie binnen het disciplinaire veld van de stadsstudies in het ongewisse blijft.

Cities in World History is geen boek over individuele steden, zoals het beroemde Cities in Civilization (1998)  van de geograaf Peter Hall waar de titel enigszins misleidend naar lijkt te verwijzen. Het is een over ruim veertig hoofdstukken verspreid, strikt chronologisch geordend handboek over urbanisatie: over wereldwijde verstedelijkingsprocessen vanaf de opkomst van de eerste megastad in Uruk - 5000 jaar voor Christus - tot aan de contemporaine en misschien wel finale urbane explosies in China en Zuid Oost Azië. Maar het is ook een boek over de dynamiek achter verstedelijkingsprocessen waarbij we niet direct hoeven te denken aan de data, tabellen en statistieken van demografen en economen, maar ook aan  specifiek geografische en vooral klimatologische condities en aan de trekkracht van bijvoorbeeld religieuze praktijken en rituelen. Maar de ambities van het boek reiken nog verder: tot de afgelopen decennia verschilden urbanisatieprocessen niet alleen per continent, natie of regio, maar leidden ook tot grote verscheidenheid aan stedelijke systemen met uiteenlopende institutionele verankeringen en, uiteindelijk tot een diversiteit van leefomgevingen en urbane mentaliteiten. Helaas blijken in de praktijk weinig auteurs tegen een dergelijk ambitieus programma opgewassen. Ik althans heb moeten wachten tot hoofdstuk 27 waar Carl Abbott met zijn loepzuiver essay over de urbanisering van Noord Amerika een model aflevert van een van alle specialistische hebbelijkheden bevrijde, rijk geschakeerde stadsgeschiedenis.

De enorme hoeveelheid hier bijeengebrachte kennis aan feiten, inzichten en analyses over de historische trajecten van wereldwijde verstedelijking is niet alleen chronologisch gestructureerd maar ook toegankelijk gemaakt door de inbouw van vergelijkend onderzoek op verschillend niveau. Het comparatieve instrument schuilt vooral in de verschillende thematische hoofdstukken die de drie monografisch opgezette delen over de verstedelijking in de Oudheid, vroegmoderne en in de eigen tijd complementeren. Zo worden in het eerste deel de bevindingen van archeologen en specialisten op het gebied van de vroege geschiedenis van Mesopotamië, Meso-Amerika, China, Afrika en Zuid Azië, met elkaar vergeleken vanuit het vogelvluchtperspectief van economie, bevolking en migratie. Hier is het met name Jennifer Baird die in haar hoofdstuk over religie en rituelen (10) op overtuigende wijze laat zien hoe religieuze praktijken, symbolen en rituelen in tal van beschavingen niet alleen een cruciale rol bij stadsvorming hebben gespeeld maar ook op lange termijn betekenis hebben gegeven aan stedelijke ensembles. Maar de echte tour de force op het gebied van comparatief stadsonderzoek wordt geleverd in het thematisch hoofdstuk over economie (21) in het tweede deel over vroegmoderne steden. Hier brengt een onderzoeksteam van Nederlandse economisch-historici op basis van een nieuwe en uitgebreide dataset van individuele steden, langetermijn-ontwikkelingen in beeld van stedelijke systemen in Europa en de Arabische wereld. En proberen aan de hand daarvan een antwoord te geven op de vraag waarom in de periode tussen 800 en 1800 Europa op gebied van stadsontwikkeling en stedelijke economie de Arabische wereld voorbij streefde? Zij schrijven deze positieverandering toe aan institutionele verschillen waarbij  Arabische steden als Cairo, Constantinopel, Fez of Bagdad sterk verbonden bleven met het lot van hun staat en, in Europa, steden zich in bestuurlijk opzicht wisten op te werken tot ‘autonome eilanden’, met geheel eigen economische, sociale en culturele instellingen (12,13).
Privatisering van het klimaat
Dit is het soort vergezichten dat je in een ambitieus handboek als Cities in World History mag verwachten, en het is daarom onbegrijpelijk dat de logischerwijze daarop volgende vraag niet gesteld wordt, namelijk: hoe komt het dat datzelfde Europa, wat omvang van de stedelijke agglomeraties betreft, sedert de jaren tachtig van de vorige eeuw, terrein heeft verloren aan Azië en de beide Amerikaanse continenten? Het is opnieuw een bewijs van de desinteresse van stadshistorici voor de geschiedenis van de contemporaine stad! Migratie historicus Leo Lucassen doet in het aan de eigentijdse stad gewijde, derde deel, wel een interessante voorzet (35). Hij presenteert een  model waarmee hij de condities - rechten, voorzieningen, risico’s -  in beeld brengt waaronder nieuwkomers in (mega) steden in de Atlantische wereld, in China, India en  Afrika werken. Ook uit zijn onderzoek blijkt dat de mate van permanentie of tijdelijkheid van hun aanwezigheid, naast factoren als de dynamiek van de arbeidsmarkt of maatregelen van de nationale overheid, op dominante wijze bepaald wordt door de kwaliteit van de stedelijke instituties. En dat is precies één van de argumenten waar economisch geografen Howard Dick en Peter J. Rimmer op inhaken in hun briljante essay over de huidige, versnelde urbanisering van (Zuid) Oost Azië (30). Die dateert van halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw als exponent van de herbalancering van de wereldeconomie. Gestimuleerd door nieuwe technologieën op gebied van productie, transport en communicatie, konden ex-koloniale,  en voormalige ontwikkelingslanden zich profileren tot nieuwe, industriële werkplaatsen van de wereld mede dankzij een schier onbeperkt potentieel aan goedkope arbeidskrachten. Deze snelle industrialisatie was de motor voor een structurele herbalancering van het mondiale urbane systeem. Trokken in de ‘oude’ industriële naties van Europa, Noord Amerika en Oceanië in de jaren tussen 1920 en 1940 88 miljoen mensen naar de stad  tegen 77 miljoen elders in de wereld, tussen 1960 en 1980 waren de rollen omgedraaid en werden in ‘ontwikkelingslanden’ 415 miljoen mensen stedeling tegen 178 miljoen daar buiten. Wat betekende dit alles voor de vorm en vooral functioneren van steden zoals Singapore, Hong Kong, Kuala Lumpur, Djakarta of Bangkok?  Daarover gaat precies de bijdrage van Dick en Rimmer (30). Hoe kijken economisch geografen vanuit hun disciplines naar de geschiedenis van de architectuur, stedenbouw en het functioneren daarvan, in (mega)steden zoals deze? Het standaard verhaal is dat de dominant verticale stadslandschappen in Zuidoost-Azië het gecomprimeerde resultaat zijn van Aziatische economieën die, bij alle onderlinge verschillen, een paar karakteristieken gemeen hebben: een sterk kapitalistische ontwikkelingsstaat waarin overheid en bedrijfsleven nauw met elkaar zijn verweven; een op export gerichte industriepolitiek, een zwak ontwikkelde ‘civiele samenleving’ en, vooral, massieve investeringen in ‘menselijk’ en’ vast’ kapitaal (grond, onroerendgoed, infrastuctuur). Dick en Rimmer zijn echter niet zozeer geobsedeerd door het politieke en industriële klimaat maar veel meer door de eisen die een tropisch moesson klimaat aan het leven en ondernemen in de Zuidoost-Aziatische archipel stelt. Zij bekijken de nerveus verticale stadsbeelden  van Zuidoost-Aziatische migrantensteden, waar niet alleen highteckantoren de lucht in schieten maar ook maar hele wegenstructuren en voetgangersbruggen boven het maaiveld worden opgetild, als de typische verschijnselen van wat zij ‘plastisch urbanisme’ noemen, een vorm van stadsarchitectuur die voortdurend en op alle fronten tegelijk reageert op de sterke economische impulsen die van buitenaf op de stad inwerken. Maar wie denkt dat hun essay uitmondt in een ode aan ‘delirious Singapore’ vergist zich. Als geografen verwijten zij stadsonderzoekers van allerlei pluimage dat ze bij de analyse van de impact van industrialisatie en migratie op de verstedelijking bijna automatisch halt houden bij het stadsexterieur - bij urbanisatie als economisch, sociaal en geografisch proces - en daarmee  aan de buitenkant van de stedelijke werkelijkheid blijven. Zelf beproeven zij in hun onderzoek naar de stad in Zuidoost Azie  een soort van ‘binnen(stedelijke) geografie’ (interior geography) waarmee ze  laten zien hoe bijvoorbeeld in dergelijke migrantensteden een uit de Eerste Wereld geïmporteerd technisch comfort als airconditioning, leidt tot wat zij verrassend noemen ‘privatisering van het klimaat’, waarmee de sociaal-culturele ongelijkheid en het klasseverschil  tussen de boven- en onderkant van migranten tot een bijna vanzelfsprekend bestanddeel van het stadsleven is geworden.
Tenslotte: een van de onderwerpen die in een groot aantal essays - vooral die over steden in Afrika en Azië -  steevast terugkeren is de dominant eurocentrische oriëntatie van de stadsgeschiedenis als historische discipline. Tot aan de dag van vandaag worden bijvoorbeeld steden in de Islamistische wereld hoofdzakelijk gedefinieerd door wat ze niet zijn, en wordt serieus onderzoek geblokkeerd niet alleen door oriëntalistische vertekeningen maar vooral ook door het benadrukken van het ontbreken van al die eigenschappen die sedert de geschriften van Max Weber, Henri Pirenne of Mumford, tot het beeldmerk van de  klassiek Europese stad zijn gemaakt: vrijheid, gemeenschapszin, participatie. Ook Cities in World History draagt daarvan nog steeds de sporen. Het begint al met het chronologisch drieluik van ‘vroeg’, ‘vroegmodern’ en ‘modern’ waarin de stadsgeschiedenissen van China, Japan, Africa en Azië  niet zonder kleerscheuren (overlappingen) zijn geperst.. Bedenkelijker is de afwezigheid van de urbanisatie en stadscultuur in Rusland - zowel van het Europese als Aziatische deel.  En daarmee ook van het doorwerken van een ‘socialistische laag’ niet alleen in steden in Rusland en het hele voormalige Oostblok, maar ook in tal van postkoloniale steden in Afrika en Azië. Misschien is dit een neveneffect van het merkwaardige feit dat in dit handboek de indrukwekkende bijdrage vanuit het Duitstalige historische, geografische en sociologisch stadsonderzoek - niet alleen aan de socialistische stad -  compleet is genegeerd!
Tezamen zijn dit soort omissies een teken aan de wand. Ze demonstreren de afwezigheid van een urgentie om in deze fase van de geschiedenis waarin door de voortschrijdende urbanisatie binnenkort méér dan 60% van de wereldbevolking in een stedelijk milieu zal wonen, vanuit de stadsgeschiedenis mee te denken over de vraag waar stad en ‘stedelijk’ eigenlijk (nog) voor staan.
Peter Clark (ed.), The Oxford Handbook of Cities in World History (Oxford: Oxford University Press) 2013.  912 bldz.
ISBN 978-0-19-958953-1
95 GBP

zondag 27 april 2014

Het Einde van de Europese stad?



verschenen in: De Gids, 177, 2014-3, 28-29

Het debat over Europa wordt, zeker in het licht van de Europese verkiezingen, op vele fronten gevoerd. Breekpunt in de talrijke discussies is het door velen als bedreiging ervaren, onstuitbare proces van economische en vooral politieke eenwording. Moet Europa wel één worden? En is het niet juist de concrete uitwerking van het oorspronkelijk ideaal van een Verenigd Europa dat het populisme van zowel links als rechts op dit moment van explosieve brandstof voorziet?
Intussen begint er een ander, nieuw verhaal over Europa op gang te komen, één waarin niet de (federale) eenheid maar juist de regionale verscheidenheid als de geheime kwaliteit van het continent wordt benadrukt. Een verscheidenheid aan taal, landschap, maatschappelijke instituties en instellingen op gebied van onderwijs, cultuur en het sociale leven. Europa is gevarieerd en kent, als we het geografisch, historisch en institutioneel bekijken, vele gezichten. Maar Europa is onbetwist het meest meervoudig als we van buitenaf inzoomen op zijn historische steden en op de daar gekoesterde culturele veelvormigheid.
Tot nu toe is de betekenis van de stad en stadscultuur in het Europa debat sterk onderbelicht gebleven en feitelijk genegeerd omdat historici, architecten en sociologen hun vertrouwen in de stad hebben opgezegd en op dit moment vooral debatteren over het einde van de Europese stad. Wat is er gebeurd, hebben ze gelijk of zijn er hier en daar toch ook meer optimistische geluiden op te vangen?


Europese stad als model en samenleving

De meningverschillen beginnen al bij de beantwoording van de vraag naar de zin en het realiteitsgehalte van het begrip ‘de’ Europese stad. Getuigt het niet van weinig gevoel voor nuance om de rijkdom aan Europese stadscultuur samen te vatten in één generiek model dat voorbij gaat aan allerlei nationale en vooral locale verschillen? Is een concept dat het Lubeck  van Thomas Mann, het Wenen van Gustav Mahler of het Amsterdam van George Breitner over één kam scheert niet even nietszeggend als een waarin de dynamiek van de Griekse en Romeinse stedelijke samenlevingen wordt teruggebracht tot een enkel idee: dat van de Antieke Stad?
Dit zijn weliswaar kritische vragen maar ze gaan voorbij aan de oorspronkelijke intenties achter de ideaaltypische benadering van de Europese stad. Die zijn in grote lijnen afgeleid uit een groot aantal min of meer klassieke theorieën over de stad en het urbane leven die tussen 1860 en 1940 zijn geformuleerd door sociologen, geografen en historici. Geconfronteerd met de sociale en ruimtelijke effecten van de grootstedelijke explosie in steden als London, Parijs of Berlijn zochten zij niet alleen naar verklaringen maar vooral ook naar het specifieke en bijzondere van de westerse stad binnen de wereldgeschiedenis. Ze meenden die te herkennen in een serie politieke en vooral ook sociaal-psychologische verschijnselen, variërend van de maatschappelijke instellingen van de middeleeuwse stad als marktplaats tot aan het gedrag en de mentaliteit van de moderne stadsmens in een geheel door verkeer, ruil en beweging gedomineerde cultuur.
Als er, in de ogen van de grondleggers van de stadssociologie, iets is wat steden in Europa van oudsher onderscheidt van de veel oudere stadscultuur op het enorme Aziatische continent, is het wel het burgerrecht, het op graaf, koning of keizer bevochten recht van vrije burgers om zelfregulerend op te treden in politiek, bestuur, economie en rechtspraak. Symbool van de specifiek westerse, urbane vorm van burgerlijke vrijheid en van de emancipatorische kracht die daarvan uitgaat, is de fysieke verschijning van de Europese stad: haar plattegrond en gebouwen. Steden in Europa dragen tot de dag van vandaag in hun architectuur de sporen van de opkomst van de burgerlijke samenleving. En misschien is juist die alomtegenwoordigheid van de geschiedenis in de dagelijkse omgeving wel het meest pregnante kenmerk van de Europese stad.
Een illustratief voorbeeld van hoe in de architectuur (Europese) geschiedenis wordt verteld, is de Beurs van Berlage in Amsterdam. Gesitueerd in het economisch-financiële hart van Amsterdam, verwijst het als massief gesloten bouwblok en vooral ook door de campanile op de hoek, naar de communale beweging van de middeleeuwse, Italiaanse stadsstaten. Het interieur is even leerrijk als dat van een middeleeuwse kathedraal. Het door de dichter Albert Verwey bedachte, exuberante decoratieprogramma verheerlijkt de rijke geschiedenis van Amsterdam als vrije koopmansstad. Tegelijkertijd worden de handelaren in woord, glas, keramiek en steen op subtiele wijze herinnerd aan de idylle van een samenleving zonder geld. Zoveel geschiedenis in en aan één gebouw maakt de Europese stad tot bewijsstuk van haar eigen identiteit. Dat wekt tegelijkertijd ook grote irritatie, omdat het geen of nauwelijks ruimte laat om daar vanuit het heden iets aan toe te voegen.


Exodus

Naast de alom tegenwoordige geschiedenis, is ook de overal ervaarbare vernietiging een onderscheidend kenmerk van de Europese stad. Er is in heel Europa nauwelijks een stad te vinden zonder door oorlogsgeweld of moderniseringsdrift aangebrachte beschadigingen. Maar toch zijn, achteraf gezien, niet de doelgerichte bombardementen of de wederopbouwplannen van radicale vernieuwers de oorzaken van de teloorgang van de Europese stad. Na de Tweede Wereldoorlog verdwijnt de stad geleidelijk uit beeld door de massale aantrekkingskracht van het niet-stedelijke, in het bijzonder van de dynamiek van het moderne verkeerslandschap.
De aanleg en verbetering van een modern rijkswegennet in tal van Europese landen, was meer dan een civieltechnische ingreep. Het stond symbool voor de ontsluiting van een in muren, gangen en stegen vastgelopen urbane samenleving en hield de belofte in van een ander, meer beweeglijk en vooral avontuurlijk maatschappelijk verkeer. Niet alleen in (West) Duitsland maar al heel snel ook in Nederland, Zwitserland en Frankrijk bleek de uitleg van een autosnelwegennet de onderligger van een nieuwe (massa)cultuur: die van fast cars and clean bodies, van een op Amerikaanse leest geschoeide consumptiemaatschappij waarvan de verlokkingen vooral buitensteeds waren. Stedelingen keerden de stad massaal de rug toe en vestigden zich op het platteland ‘aangemoedigd door verlokkende advertenties over luxueuze doorzonbungalows, te midden van veel groen en een schier onbeperkte parkeerruimte’ (Lodewijk Brunt).
De vervreemding tussen stad en samenleving beperkte zich niet tot de bevoorrechte groep stedelingen op het platteland. In hun voetsporen kwamen bedrijfsterreinen, steeds groter wordende winkelcentra, bouwmarkten, kantoorgebouwen, stadions, restaurants, hotels en megabioscopen. Waar sociologen, filosofen en architecten al vanaf het begin van de eeuw voor hadden gewaarschuwd, voltrok zich in ijltempo na de Tweede Wereldoorlog. De activiteiten en attracties van de nieuwe welvaartsstaat liepen stuk op de ‘lange duur’ van de historische stad. Zo ontstond een geheel nieuw Europees stadslandschap waarin wonen, werken, verkeer en vrijetijdsbeleving definitief van elkaar waren gescheiden. Stadsgeleerden begonnen te discussiëren over stedelijkheid zonder stad.


Cultureel imperialisme

Maar toen gebeurde er iets waar niemand op had gerekend. In 1971 werd, in het hart van Parijs, een begin gemaakt met de afbraak van de afgedankte Les Halles, om ruimte te maken voor de bouw van een modern winkelcentrum. Een (mis)daad, even barbaars en onherstelbaar als het opblazen van het Berliner Stadtschloss door Walter Ulbricht in het najaar van 1950. Maar anders dan indertijd in de DDR, ontlokte de door de commercie afgedwongen vernietiging van een bij vrijwel iedere (West) Europeaan bekend gebouw, een ongekend publieke verontwaardiging.
Het bleek, achteraf gezien, het startschot te zijn voor een massale terugkeer naar de Europese stad: die van de cultuur, van de musea en het theater. Franse intellectuelen spraken, in het voetspoor van de al veel oudere kritiek van Guy Debord op de ‘spektakelmaatschappij’ over het afwerpen van het ‘juk van het Amerikaanse culturele imperialisme’ en lazen in de vergeten teksten van Baudelaire en Walter Benjamin een verloren gewaande, Europese stad. Het zijn ook de jaren waarin de grondslagen werden gelegd voor een (maatschappij)kritische benadering van grotestadsproblematiek en sociologen, historici en geografen opkwamen voor het ‘recht op de stad’ en het wonen in de buurten en straten van binnensteden. Maar er waren ook andere perspectieven. Als stadsbestuurders in de jaren zeventig en tachtig over ‘hun’ stad spraken, dan hadden ze het vooral over het droombeeld van de ‘mediterrane’ stad, de zonovergoten stad van de publieke ruimte, het absolute contrabeeld van de Amerikaanse verkeersstad. Parijs, Turijn, Barcelona , Rome en Venetië werden de culturele hoofdsteden van Europa, niet enkel in toeristische zin, maar als voorbeelden van urbane scenografie, instructieve handboeken voor de herinrichting van de verkommerde, eigentijdse binnenstad.
                Het idee van de Europese stad als een esthetisch bedacht, compact ensemble, rijk aan historische verwijzingen, sloeg op brede fronten aan: van stadsbestuurders tot aan architecten, stedenbouwers en vooral projectontwikkelaars. In heel Europa – van Kortrijk tot Berlijn en van Linköping tot Marseille – gingen steden op zoek naar hun verloren identiteit en vonden die in waar ze in het verleden goed in waren: mode, vormgeving, gastronomie of kennisindustrie. Verworvenheden die via een uitgekiende strategie van citybranding werden opgewaardeerd tot de ingrediënten van een handelsmerk dat steden konden gebruiken in hun onderlinge concurrentiestrijd rond de ‘creatieve stad’.
Maar de terugkeer van de Europese stad bracht meer teweeg dan enkel een culturele aankleding van binnensteden als decor voor dienstverlenende en creatieve bedrijvigheid. ‘City brands’, aldus Hans Mommaas, ‘die zich louter spiegelen aan de opgeschoonde croissant- en cappucinostedelijkheid van een stijgende stedelijke middenklasse gaan zich loszingen van de reëel bestaande levenscondities van de stedelijke bevolking’. De Europese stad is van oudsher ook een door burgers gecreëerde, sociale stad met aandacht voor de dagelijkse leefomstandigheden en de verbetering daarvan. Deze kant van de Europese stad werd het motto van ingrijpende projecten van stadsvernieuwing en van herstel en herstructurering van sociale verbanden in tal van steden in Europa.


Einde van de Europese stad?

Het optimisme over de Europese stad kwam steeds meer onder druk te staan toen de symptomen van een groeiende, sociale ongelijkheid binnen de stedelijke samenleving zichtbaarder werden. De ‘Renaissance’ van de Europese (binnen)stad is een van de meest in het oog springende gevolgen van de economische, sociale en vooral ook ruimtelijke veranderingen die we kunnen samenvatten onder de noemer van globalisering. Steden functioneren daarbij als een vergrootglas waaronder maatschappelijke conflicten in alle hevigheid zichtbaar worden.
Je zou de vraag kunnen stellen of de Europese stad intussen niet volledig is opgegaan in de generieke werkelijkheid van de geglobaliseerde stad. Anders dan wat de grote denkers over de stad ons altijd hebben voorgehouden, zijn steden in Europa etnisch niet meer homogeen. Ze zijn niet meer gebonden aan een sociaal contract van welke signatuur dan ook, en onderscheiden zich van elkaar bij de gratie van hun aanbod aan gedifferentieerde milieus met ieder hun eigen culturele code. Het ideaalbeeld van de compacte Europese stad heeft plaats gemaakt voor de dagelijkse realiteit van een versnipperde, gefragmenteerde stad. Blikvangers zijn de historische stadskernen, buiten de tijd geplaatste zones, zwevend tussen illusie en herinnering en bij voorkeur voorzien van het keurmerk van UNESCO Werelderfgoed. Op veilige afstand daarvan: glanzende zakenwijken zoals Canary Wharf in London, La Défense in Parijs of de Zuidas in Amsterdam met hun Manhattan-achtige skylines. En op nog grotere (mentale) afstand van deze centra van welvaart: de normale stad waar gewoond en (ook) gewerkt wordt en waar de conflictlijnen van de samenleving dwars door scholen, straten, sportvelden en zelfs woningen lopen. Daar sloeg voor het oog van de wereld als eerste de vlam in de pan.
                Halverwege de jaren negentig woedden in tal van Engelse voorsteden hevige rellen waarvan de zogenaamde Blackberry Riots in Brixon South London de meest beruchte zijn. Tien jaar later gebeurde hetzelfde in Parijs waar decennialang opgehoopte woede, vertwijfeling en uitzichtloosheid tot uitbarsting kwamen. Agressie, niet zozeer tegen de erbarmelijke woonomgeving van de Grands Ensembles, als wel tegen de publieke discriminatie en hautaine minachting van de ene bevolkingsgroep ten opzichte van de andere.
Voor velen lijkt met het vuur van de straatbarricades maar vooral met de onmacht en radeloosheid van de autoriteiten, ook de idee van de Europese stad als uniek model van samenleving definitief in rook te zijn opgegaan. Maar niet alle geleerden van de stad zijn het daar mee eens. ‘Neen’, zegt Peter Marcuse, kritisch stadsgeograaf. Steden in Europa zullen zich te allen tijde blijven onderscheiden van Amerikaanse steden door hun cultureel kapitaal, hun overdaad aan in musea, gebouwen maar ook boeken, films en verhalen opgeslagen historisch erfgoed. ‘Neen’, zegt ook Karl Schlögel, stadshistoricus. Het ideaaltype van de Europese stad mag weliswaar fiks in waarde zijn gedaald, de steden in Europa zijn nog springlevend. Zijn vertrouwen in de toekomst van de stad in Europa ontleent hij niet zozeer aan wetenschappelijke analyses maar aan persoonlijke waarnemingen in steden in Midden- en Oost-Europa. Schlögel heeft met eigen ogen gezien hoe het stadslandschap in Oost-Europa de afgelopen decennia is veranderd in een laboratorium van stadsherstel en herwonnen urbaniteit en benadrukt dat wij, West-Europeanen, veel kunnen leren van hoe uit het bijkans niets, nieuwe en aansprekende varianten van ‘stad’ kunnen worden geïmproviseerd.
Er is nog één argument om in het tijdperk van globalisering te blijven geloven in het bestaansrecht van de Europese stad. Steden in Europa zijn, net als die elders in de wereld, beter dan nationale overheden in staat om mondiale problemen van armoede, voedselvoorziening en milieuvervuiling locaal op te lossen. Dat geldt ook voor een van de grootste vraagstukken waar Europa vandaag voor staat: dat van migratie en integratie. Volgens de Amerikaanse sociologe Saskia Sassen zijn steden in Europa, in tegenstelling tot de afzonderlijke staten of de Europese Commissie, vanuit hun lange traditie van gemeenschap, burgerzin en solidariteit bij uitstek toegerust om strategieën te ontwikkelen om vreemdelingen in de Europese samenleving te incorporeren. Steden bieden door hun aanbod aan zorg en voorzieningen nieuwkomers de kans zich op te werken en uiteindelijk te integreren in de samenleving. In een globaliserende economie zijn steden niet alleen broedplaatsen voor creatieve industrie, maar ook emancipatiemachines voor kansarmen. Het is precies deze combinatie die maakt dat de toekomst van Europa in de stad ligt.


Ed Taverne is emeritus hoogleraar Architectuur- en Stedenbouwgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen


donderdag 10 april 2014

Het aarzelend begin van de Stadssociologie (4)

Berlijn, ‘ suburb van New York’ .



Sombart.gif


In tegenstelling tot hun vakgenoten in Chicago die de Grossstadt-Dokumente als een coherent onderzoeksprogramma wisten te waarderen, lijkt de betekenis van het project de academische sociologische elite in Duitsland te zijn ontgaan. Robert Michels, Franz Oppenheimer, Georg Simmel, Max Weber: allemaal reppen ze met geen woord over het project als geheel noch over de afzonderlijke boekdelen. Dat kan op niets anders wijzen dan op afkeuring, want hun bekendheid met het project - talloze malen herdrukt en in meer dan 80 keer gerecenseerd in duitstalige wetenschappekijke tijdschriften - staat buiten kijf. Bovendien was Hans Ostwald persoonlijk bekend met de belangrijkste representanten van de academische sociologie in Berlijn, Hamburg en Wenen. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat binnen de Duitstalige sociologische kringen ten tijde van het interbellum dit project niet als een serieuze bijdrage aan de academische sociologie werd beschouwd. Wat was daarvan de reden?


Illustratief voor de receptie in Duitsland van het Grossstadt-Dokumente project als een vorm van Trivialliteratur, zijn de opvattingen over de contemporaine stad en het stadsonderzoek van de bekende socioloog Werner Sombart (1863-1941). In 1908 publiceerde Sombart in een Duits ochtenblad een polemisch artikel over stadsreclame. Hij vond dat schreeuwerige commerciële  reclame aan gevels, tramstellen en reclamezuilen niet alleen het stadsbeeld bedierven maar dat door de opmars van de massa-cultuur Duitse steden steeds meer tot verlengstukken - aanhangsels - van de Amerikaanse stad dreigden te verworden. Sombart wist waar hij over sprak: hij kende Amerika en had twee jaar daarvoor zijn bekende essay: ‘ Warum gibt es in den Vereinigten Staaten keinen Sozialismus?’ gepubliceerd. Sombart 1908.jpg



Sombart beschouwde de Verenigde Staten als een land van ‘ grote steden’  en had met eigen ogen kunnen constateren hoe in metropolen als Chicago en New York de idee van de ‘ metropool’ haar zuiverste visuele vorm had gekregen. Door hun ongebreidelde expansie en, vervlakking en massificatie waren deze ‘ kleurloze’ agglomeraties in alle opzichten het tegenbeeld van historische Duitse steden als Nürnberg, met hun vanuit de geschiedenis gegroeide, unieke identiteit. Naarmate  de industrialisatie en modernisering zich doorzetten, transformeerde ook Duitsland tot een ‘ land van grote steden’ , zelfs in die mate dat, althans in zijn ogen, de hoofdstad van het Rijk in snel tempo dreigde af te glijden tot een ordinaire ‘ suburb van New York’ : tot een woestijn van de moderne technologische cultuur.


Sombart aanvaardde weliswaar de moderne industriële samenleving maar was kritisch over de ontwrichtende gevolgen daarvan. Die manifesteren zich het duidelijkst in de grote steden, met name Berlijn. Zijn aandacht ging daarbij niet enkel uit naar de esthetiek van het stadsbeeld, maar naar de geestesgesteldheid van de moderne stedeling. De wetenschappelijke blik op de hiermee samenhangende, sociologische problematiek, was een heel andere dan die van de Chicago School. Daar waar de Amerikaanse onderzoekers de stad zelf tot onderwerp van studie maakten en zich met tal van aspecten van de stad bezig hielden zoals grondprijzen, allerlei buurten, winkels, het vermaak, de criminaliteit en stedelijke conflicten, distantieerden  Duitse sociologen als Sombart zich in toenemende mate van externe verschijnselen van grootstedelijke werkelijkheid en hielden zich vooral  bezig met (ken) theoretische vraagstukken. Zij vonden dat de bestaande stedelijke werkelijkheid te gecompliceerd was om enkel vanuit de empirie te kunnen worden benaderd. Hun aanpak zou kunnen worden begrepen als een vorm van ‘ verstehende Soziologie’ die zich vooral bezighield met de grote veranderingsprocessen in de industriële samenleving, met de problematiek van arbeidsproductiviteit, rationaliseringsprocessen en de samenhang tussen kapitalistische economie en urbane mentaliteit en geestesleven. In hun onderzoek naar dit soort problematiek overschreden zij de grenzen van het eigen vakgebied en hanteerden  daarbij materiaal en vooral ook concepten vanuit uiteenlopende disciplines als economie, psychologie en godsdienstwetenschappen.


Het is voorstelbaar dat vanuit deze geheel verschillende posities binnen de academische sociologie, de methodische vernieuwingen en onderzoekstechnieken van de Chicago School in kringenb van Duitse sociologen niet alleen kritisch werden ontvangen, maar dat ook de  Amerikaanse fascinatie voor het Duitse Grossstadt-Dokumente project niet werd gedeeld. Pas in de jaren negentig kregen Duitse sociologen (en antropologen) als Rolf Lindner - in de context van het debat over de ‘ Eigenlogik’  van de steden -  oog voor de fundamentele bijdrage aan het stadsonderzoek door de pioniers van de Chicago School en daarmee ook voor hun (vergeten) voorlopers, de autodidacten van het Duitse Grossstadt-Dokumente Project.

Chicago.jpg

Duitse editie 1990; in 1996 Engelse editie onder de titel: The reportage of Urban Culture. Robert Park and the Chicago School (Cambridge University Press) Cambridge 1996.


maandag 7 april 2014

Het aarzelend begin van de stadssociologie (3)



De Amerikaanse journalistieke traditie van de  ‘ anti-schijn’



Shame of Cities 1694699.jpg


Muckraking



Een van de verklaringen voor de snelle en vooral positieve receptie van het Duitse Grossstadt-Dokumente Project in de Verenigde Staten is de toenmalige populariteit van een vergelijkbaar, Amerikaanse beweging: dat van muckraking. Dat is een vorm van onderzoeksjournalistiek waar sedert het begin van de vorige eeuw, tientallen schrijvers, wetenschappers, journalisten, fotografen en politici bij betrokken waren. Tussen 1903 en 1914 verschenen in de populaire maanden- en weekbladen in de USA meer dan tweeduizend ‘ muckraking’ - essayische-beschouwlijke artikelen van tal van auteurs waaronder bekende namen als die van Robert E. Park, Lincoln Steffens, Stannerd Baker, Charles Edward Russell, Upton Sinclair, Jacob Riis en vele anderen. Zij slaagden er in korte tijd in om een deel van de ‘ geïllustreerde pers, om te smeden tot instrumenten van onderzoek, agitatie en onthulling. Veel onderwerpen die werden aangesneden zijn te herleiden tot twee maatschappelijke problemen: enerzijds de roofzucht van het moderne bedrijfs- en zakenleven en, vervolgens, de corruptie van stedelijke politiek en administratie. Dat waren onderwerpen die natuurlijk al veel eerder, in literaire romans, verhalen en poëzie, maar dan in veel bedekter termen aan de orde waren gesteld, maar nu werd het opereren van de grote ‘ trusts’ , het etos van werkgevers (‘bosses’ ), de positie van zwarte minderheden, van vrouwen, de zwakte van stedelijke instituties en corruptie van ambtenaren, in de vorm van reportages, fotoverhalen en interviews rechtstreeks onder de aandacht van het grote publiek gebracht.

New York Jacob_Riis_-_Bandits'_Roost.jpg

Maar de onthullingen van en aanvallen op politieke corruptie of het blootleggen van de zwakte van stedelijke instanties, hebben niets met sensatie of nostalgie te maken. Er is in al die stukken geen spoor te bekennen van ‘ looking backward’ . Journalisten stellen niet alleen corruptie of discriminatie, maatschappelijke ongelijkheid of mistoestanden aan de kaak; er worden ook oplossingen gesuggereerd. Tezamen weerspiegen dit soort artikelen in woord en beeld een breed panorama  van de Amerikaanse ‘ business civilization’ , op dat moment door een groot deel van de bevolking ervaren als de belichaming van de idee en kracht van de Amerikaanse samenleving. Maar hier tegenover komen de ‘ muckrakers’  op voor de idee van het publieke belang dat zich sinds de komst van de industriële samenleving in Noord-Amerika heeft vertaald in een aantal sociale hervormingen (vgl. Park Movement). En vanuit die sociale en vooral ook culturele contra-beweging slagen zij erin het grote publiek rijp te maken voor tal van verdere hervormingsvoorstellen op gebied van politiek,  bestuur, sociaal welzijn, stedelijke planning (City Beautiful Movement) etc.


Ee Een mooi en goed geschreven Nederlandstalig overzicht van de muckrakers is te vinden in A.N.J. Den Hollander, Het demasqué van de samenleving. De journalistiek van de anti-schijn (Polak & Van Gennep) Amsterdam 1976. Meer recent en goed gedocumenteerd essay over achtergronden van de beweging, auteurs, onderwerpen en publicaties, in de gelijknamige entry in Boundless Textbook: https://www.boundless.com/u-s-history/the-progressive-era-1890-1917/elements-of-reform/the-muckrakers/ Gedetailleerd verslag van ' crusading against the bosses' in de biografie van ' muckraker' Charles Edward Russell, in: Robert Miraldi, The Pen is Mightier. The Muckraking Life of Charles Edward Russel, New York 2003


Het is evident dat een aantal (jonge) auteurs als Robert E.Park bij de eerste kennismaking met het Berlijnse Grossstadt-Dokumente project, veel van wat in de afzonderlijke reportages werd gepresenteerd, zullen hebben herkend en begrepen. We kunnen hun belangstelling goed traceren omdat recent de details van de uitleen van de afzonderlijke boeken door de (latere) grondleggers van de Chicago School of Sociology gepubliceerd zijn. Uit deze gegevens blijkt dat een groot deel van Ostwalds serie deel uitmaakte van het academisch studieprogramma van de stadssociologie in Chicago in de jaren twintig en dertig. Ook kunnen we uit de verschillende boeken en artikelen van toonaangevende sociologen als Robert E.Park en Louis Wirth afleiden dat zij bij hun werk in de stad Chicago niet alleen profiteerden van de onderzoeksmethoden en -technieken van de groep rond Ostwald (interviews, reportages, oral history, visuele documentatie) maar vooral ook geprobeerd hebben om de Berlijnse benadering in een breder, sociologisch-theoretisch kader te plaatsen. Zo herkent Louis Wirth - bekend om zijn essay: Urbanism as a Way of Life, 1938) -  met name de classificatie in sociale typen als een van de leiddraden in het Berlijnse project. Een andere is de nadruk op zogenaamde ‘ ongebonden’   groepen in de samenleving zoals bedelaars, kaartspelers, gokverslaafden, kortom als diegenen die, in de woorden van Wirth, fraude tot hun beroep hebben gemaakt. Maar daarmee is vrijwel alles over de rechtstreekse verbanden tussen Berlijn en Chicago wel gezegd.Juist omdat Hans Ostwald en zijn auteurs zich vrijwel nergens expliciet hebben beziggehouden met de methodisch-theoretische kanten van het Grossstadt-Dokumente project, hebben de resultaten daarvan weliswaar hun weg gevonden in het academische onderwijs in Chicago, maar figureren die in de wetenschappelijke publicaties voornamelijk als secondaire referentie, als achtergrond literatuur.