maandag 24 februari 2014

Martialis' Nachtkastje (2)




Poetica van de stad




De kern van Martialis’ oeuvre bestaat uit twaalf bundels (boeken) met ieder gemiddeld honderd epigrammen: korte, puntige gedichten met een verrassende pointe aan het slot. Daarin komende meest uiteenlopende onderwerpen aan de orde, zoals filosofische reflecties over leven en dood; geld, fysieke deformaties, overspel, plagiaat, vriendschap, onroerend goed, moord, architectonische monumenten, reizen en tuinaanleg. En vooral ook de stad Rome en wat het betekent om daar als dichter te leven. Enkele van Martialis’ epigrammen bewegen zich op het raakvlak tussen boek en stad. Hij gebruikt daarvoor twee literaire thema’s: dat van de salutatio (begroeting) en de captatio (jacht). In beide voorbeelden gaat het om nauwkeurig topografische omzwervingen door het keizerlijk Rome, voettochten die vrijwel letterlijk op de kaart zijn te volgen. Maar het is niet Martialis zelf die als flaneur door de stad loopt. Zowel in epigrammen 1.70 als 2.14  laat hij anderen het werk doen. In het eerste geval door een zekere Selius in een even wanhopige als razende jacht op een invitatie voor een ‘ dinnerpary’.  In het tweede voorbeeld stuurt de dichter (de personificatie van) zijn boek (libellus)  op pad door het keizerlijke Rome. Het boek krijgt de opdracht de groeten over te brengen aan zijn (potentiële) beschermheren. In beide gedichten wordt de lezer letterlijk rondgeleid langs de belangrijkste publieke gebouwen van het toenmalige Rome. Dat hadden al veel poëten hem voorgedaan. Maar Martialis gebruikt het motief van de urbane derive als een stijlfiguur waarmee hij de pracht en praal van de architectuur van de Flavische keizers op slinkse wijze combineert met de status, aanzien en het innovatieve van zijn eigen poëtisch oeuvre.


De tijdgenoten van Martialis leefden in Rome in een stad vol reminiscenties aan geweld, moord en brand. De Flavische dynastie - en keizer Domitianus in het bijzonder - deden erhebben  alles aan om de kosmopolitische hegemonie van Rome te herstellen. Niet alleen op symbolische wijze: door het aanbrengen van een monumentale stadskaart in marmer aan een van de muren van de Templum Pacis of door de aanleg van een schitterende collectie kunst- en gebruiksvoorwerpen uit alle hoeken van het keizerrijk. Zij ondernamen ook en vooral een omvangrijk programma van stadsherstel, een indrukwekkende  ‘renovatio urbis’  met de bouw van tempels, triomfbogen, standbeelden, fonteinen, kolommen en inscripties, niet zelden op de plaats en restanten van afgebroken of niet-voltooide projecten van hun voorgangers. Door publieke werken tot instrument van hun machtsaanspraken te maken, herstelden de Flavische keizers bewust een traditie die zo glansrijk begonnen was in de ‘ Gouden Eeuw van Augustus’.


In zijn artikel laat Luke Roman zien dat Martialis in zijn epigrammen niet enkel verslag doet of een beeld geeft van de ingrijpende bouwprojecten van de Flavische keizers, maar daarbij veel hogere ambities realiseert. Net zoals de keizers via grootscheepse, stedelijke projecten probeerden greep te krijgen over de symbolische topografie van de stad, zo ontwikkelt Martialis een ‘epigrammatisch urbanisme’ om zowel de productie als afzet en verspreiding van zijn epigrammatisch oeuvre binnen de grenzen van het keizerrijk te controleren. Analoog aan de fysieke transformaties van de stad, voert Martialis een zodanige poetische operatie uit dat zijn epigrammen Rome niet zozeer uitbeelden, maar Rome ook letterlijk zijn . Hij is er op uit om de afstand tussen stad en gedicht op te heffen waardoor alles wat Rome is en voorstelt - met al zijn geneugten, spektakels en evenementen - transportabel wordt tot aan de verste uithoeken van het keizerrijk.  
Boek 8 is helemaal gewijd aan Domitianus, diens stedelijke projecten en bijna goddelijke afkomst. In enkele epigrammen wordt een aan de keizer gewijd gedicht letterlijk geconstrueerd als een tempel waar de dichter als een tempelwachter, gedicht/tempel behoedt voor obsceniteiten waarmee Martialis gewoonlijk de stad beschrijft. Veel directer, realistischer en ongeremder ook, dan al zijn voorgangers, Ovidius voorop, is Martialis in zijn epigrammen gefixeerd op de materialiteit van de stad in al haar topografische eigenaardigheden. Maar nooit eerder had een dichter in Rome het gewaagd om die beide kanten van de stad: die van de schier bovenaardse, keizerlijke architectuur, en van de achterbuurten en onderwereld van de Subura, bij elkaar te brengen in een en dezelfde poëtische ruimte. Met zijn virtuositeit van nevenschikking, fragmentatie, dissonantie en versplintering engageert Martialis zich met alle tegenstrijdigheden van het kosmopolitische Rome zonder om die op enig moment met elkaar te willen of te kunnen verzoenen. Zijn fascinatie is niet onderdanig of obsessief gericht op de keizer, diens gebouwen en de literaire productie daarom heen. Zijn obsessie is: Rome. Enkele van zijn meest tot de verbeelding sprekende stadsbeelden dateren uit het eind van zijn leven, toen hij weer terug was in zijn vaderland: Spanje. In een daarvan legt hij uit dat, zelfs op afstand, Rome als stad hem uit de slaap weet te houden. Hij leeft in de dreigende intimiteit van de stad. Want naast het eenvoudig bed van de dichter bevindt zich geen mens of ding, maar is Rome. En het is die voortdurende,  rusteloze presentie van de Stad die Martialis drijft tot een andersoortige poëzie.



voor het hele artikel ga naar:











donderdag 13 februari 2014

Martialis' Nachtkastje (1)





Literaire stadsgeschiedenis


Literatuurgeleerden strijden sinds lang over de vraag of, en zo ja, in hoeverre je literaire teksten mag gebruiken als bron van informatie over niet-literaire onderwerpen zoals het dagelijks leven, de stad  of de geschiedenis?  Is poëzie een venster waardoor het leven wordt geobserveerd en beschreven, of is het een autonome kunstvorm waarmee een literair universum wordt geconstrueerd dat juist geen of in beperkte mate een reproductie is van de bestaande werkelijkheid? De poëtica van een kunstenaar, en dus ook van een dichter, is veelkantig en kan zowel uit- of afbeeldend zijn, instructief maar ook autonoom. In het laatste geval gaat het gedicht in eerste instantie over zichzelf, over de ‘werktuigen’ van de poëzie of over de positie en betekenis van het gedicht en zijn schepper. Het is een theoretische kwestie waar overigens weinig dichters zich druk over maken en waar vooral (literatuur) historici met elkaar over strijden.


Stadshistorici lopen tegen dit probleem aan zodra zij zich bezighouden met onderwerpen als ‘de stad in de literatuur’ en literaire teksten gebruiken zo niet ‘plunderen’ in hun zoektocht naar de respons van stedelijke verschijnselen in literatuur, film of beeldende kunst. Uit de gangbare, door literatuurhistorici geschreven overzichten over literaire stadsvoorstellingen, kunnen ze leren dat er een verband bestaat tussen de literaire verbeelding van stad èn de impact van de stad op de literaire tekst zelf. Met andere woorden: literaire teksten over de stad zijn, juist omdat ze méér zijn dan alleen mimetische afbeeldingen, als literaire constructies onderdeel van de stedelijke werkelijkheid en als zodanig onderhevig aan dezelfde dynamiek. Het standaardwerk over dit onderwerp is nog steeds het onovertroffen The City in Literature. An Intellectual and Cultural History, van Richard Lehan uit 1998. In dit overzicht ligt het zwaartepunt bij de Westerse stad vanaf de Verlichting. De belangrijkste thema’s in het denken over de stad zijn evenwel veel ouder, en vinden we terug in de satires,epigrammen, geschiedenissen en lofdichten van Juvenalis, Horatius, Cicero, Tacitus en Martialis. Alle bekende topoi over de stad: de tegenstelling stad en platteland, de stad als oord van dubieuze lieden en ‘vergaarbak van het slechtste in de wereld’ (Herman Pleij), vooroordelen die eeuwenlang Westerse voorstellingen over de stad hebben beïnvloed, gaan terug op het rijke (bijbelse en)  klassieke erfgoed. Dit is ook de belangrijkste reden dat classici - voor zover zij zich bezighouden met de stad in de meest brede zin van het woord - zo’n cruciale plaats innemen in het interdisciplinaire stadsonderzoek.


Martialis en de stad Rome


Het recente literatuurhistorisch onderzoek van de Amerikaanse classicus Luke Roman naar de literaire omgang met de stad Rome in de Romeinse Oudheid, is het zoveelste argument om taal- en literatuurhistorici ook als volwaardige (stads) historici te beschouwen (Herman Paul). Ik beperk me hier tot een korte samenvatting van zijn prachtig essay over ‘Martial and the City of Rome’, een voorpublicatie van begin dit jaar verschenen studie over Poetic Autonomy in Ancient Rome (2014).


Martialis is een in Spanje geboren dichter die in de tweede helft van de eerste eeuw na Christus in Rome woonde en werkte. De stad Rome is ook het onderwerp van zijn vroegste werken: het Liber Spectaculorum (80) , gewijd aan het onder keizer Vespasianus begonnen Colosseum en van de kort daarna verschenen bundels Xenia en Apophoreta. Hierin wordt Rome gepresenteerd als een vroege variant van de ‘Sociëté du Spectacle’, als  stad van vermaak en consumptie. Martialis schreef vooral epigrammen, korte puntige gedichten waarin de plattegrond van het toenmalige Rome de onderligger vormt voor de beschrijving van tal van feesten, zoektochten en monumentale ensembles in de stad. Roman probeert in zijn essay drie stellingen te bewijzen:
1. Martialis belangstelling en fascinatie voor de topografie en fysieke structuur van de stad staat niet opzich zelf, maar is onderdeel van de onder de Flavische keizers begonnen ‘Renovatio Urbis’.
2. Het Rome van Martialis epigrammen is weliswaar een realistisch representatie van het toenmalige Rome, maar tegelijk ook ‘literaire tekst’ met talloze verwijzingen naar het literaire kosmopolitisme onder Keizer Augustus
3. Er is een opvallende parallel tussen de omgang van de Flavische keizers met de stad en haar gebouwen én de poëtica (syntaxis, onderwerp, dynamiek) l van Martialis’  epigrammen. In de volgende blog vat ik samen wat Luke Roman over deze drie stellingen te berde brengt.



informatie over Martialis’ vertalingen ga naar: http://index.vincenthunink.nl

vrijdag 7 februari 2014

Uruk, Stad uit het Vierde Millennium voor Christus

Wat voor ‘n soort/type stad was Uruk?


Alleen al de omvang en bevolkingsdichtheid van Uruk doen vermoeden dat het een stad moet zijn geweest met een bijzondere status, hoofdstad van een territoriaal Rijk.  Wat weten we van het leven, de bedrijvigheid en huisvesting ter plaatse, wat van het bestuur, de religieuze praktijken? Hoe zag de stad er als gebouwd ensemble uit? Uiteraard zijn er veel archeologische opgravingen geweest die een,  door de tijd gezien, buitengewoon complexe nederzettingsstructuur suggereren. Hier beperken we ons tot wat er bekend is over de aanvang van de stad: wat weten we van de stad uit de beginfase van de verstedelijking van het zuidelijk gedeelte van Tweestromenland, hoe zag Uruk eruit  halverwege het vierde millennium toen de ‘take-off’ plaats vond van de urbanisatie in dit gebied? En aan de hand van welke data en modellen proberen historici en archeologen daar een voorstelling van te maken?




De meest recente en tevens ook meest toegankelijke publicatie over Uruk als stad, is de monumentale catalogus die in 2013 ter begeleiding van een grote overzichtstentoonstelling in het Pergamon-Staatliche Museen in Berlijn is verschenen. In dit boek zijn samenvattende analyses gemaakt aan de hand van (wetenschappelijke) data uit tenminste drie verschillende hoeken:


1. we beschikken over (beperkte) architectonische en ook iconografische informatie dankzij archeologische voorwerpen ( keramiek) en bouwfragmenten ter plekke. Beperkt omdat er vooral monumentale ensembles zijn blootgelegd zoals tempels, paleizen en stadsmuren. Er is relatief weinig bekend over woonwijken en woonbuurten, met name buiten de muren.
2. er is ook (beperkte) schriftelijke informatie, schriftmateriaal voorafgaand aan de uitbouw van het bekende spijkerschrift, bestaand uit hoofdzakelijk handels-administratieve   controlemiddelen:rekenstenen en stempelzegels, halverwege vierde millennium ‘vervangen’ of verbeterd door cylinderzegels.
3.met de komst van het schrift, begint de geschiedenis in engere zin, en komen plaatsen en (stads) god(inn)en, heersers/priesters in beeld en hun heldendaden en activiteiten (jacht). De (oudst) bekende is de naam van Gilgamesh, koning van Uruk wiens naam voor het eerst halverwege derde millennium in een ‘woordlenlijst’ vermeld wordt. Epische verhalen ontstonden ook rond de stadsgodin van Uruk, Inanna. Beroemd is de zogenaamde Uruk- vaas waar ze staat afgebeeld met  (water), offerdieren, gewassen en krijgers.Hieronder een detail van de onderzijde, c. 3500 v. Chr.





nieuwe intellectuele technologieën


Sporen en bewijzen van typisch stedelijke activiteiten op gebied van bestuur, handel en religie gaan terug naar het begin van de Late Uruk periode, d.w.z. c. 3400 voor Christus. Dit is het tijdvak waarin de voorheen spaarzaam bewoonde uiterwaarden bedekt (‘gekoloniseerd’) werden met een netwerk van grote en vooral kleinere nederzettingen waarvan Uruk met een omvang van 250 ha. en een bevolking van 40.000 inwoners, aan de top stond..


De betekenis van Uruk als het eigenlijke centrum, drukt zich niet alleen uit in getallen, maar ook in de beeldvorming. Alleen al uit het feit dat dat in de latere literaire traditie met helden als Gilgamesh, Lugalbanda en Eminerkar, bijna alle epische gedichten rond helden/krijgers/vorsten zich in Uruk afspelen, blijkt de reputatie van de stad. Hetzelfde geldt voor de vele mythen en verhalen rond de stadsgodin: Inanna. Een bevolking van c. 40.000 inwoners moet een stad als Uruk voor ongekende problemen op gebied van politieke leiding, bestuur en administratie en conflictbeheersing hebben gesteld. In Uruk waren, aldus de Duitse archeoloog J. Nissen, niet alleen problemen, maar werden ook de technische en bestuurlijke antwoorden gevonden, die de lokale samenleving van toen kenmerken als ‘stads’. Juist de dichtheid, nabijheid en complexiteit van het koloniale netwerk waar Uruk het centrum van was, leidde tot een bijzondere synergie van krachten op allerlei gebied. De anthropologist Jack Goody  (2000) spreekt in zo’n situatie van innovaties op het gebied van ‘intellectuele technologieën’, dat zijn technieken die de mentale krachten verbeteren of uitbreiden. In Mesopotamië en Uruk in het bijzonder, bestonden die in innovaties op gebied van waterbouw (kanalen), bouwtechniek (tempelbouw, stadsmuren, woningbouw) sociale controle (bestuur, administratie), artistieke productie (ceramiek;reliëfs, friezen) en met name ook de ‘uitvinding’ d.w.z. perfectionering van het (spijker) schrift.




Zo ligt het voor de hand dat met name de intensieve handel binnen de agrarische en stedelijke centra van het netwerk, welhaast noodgedwongen moest leiden tot creatieve vormen van logistiek, financiering en contractering.  Bijna alle van de 2000 oudst bekend schriftelijke data uit dit gebied hebben betrekking op de levering en transport van grote hoeveelheid goederen, o.a.levensmiddelen uit de directe omgeving. Het is overduidelijk dat de stad Uruk beschikte over een gespecialiseerde, stedelijke economie en met name over gespecialiseerde massaproductie op gebied van ceramiek. Maar hoe, waar en door wie werd geproduceerd en verhandeld, is nauwelijks bekend. Er zijn weinig of geen sporen uit die tijd die wijzen op etnische diversiteit die er wel moet zijn geweest gezien het grote aantal immigranten. 
 Hetzelfde geldt voor de stad als gebouw. De complexe gebouwenstructuren die uit deze periode in Uruk zijn blootgelegd, veronderstellen geavanceerde kennis en ervaring met complexe bouwkundige technieken. Maar wie de opdrachtgevers waren, wie de bouw uitvoerden en welke functies die gebouwen hadden, is nauwelijks bekend. Wel weten we hoe de stad halverwege het vierde millennium een aanvang nam, overigens bovenop de verwoeste fragmenten van eerdere gebouwde structuren. Dat is trouwens een van de meest opvallende aspecten van ‘stedenbouw’ in Mesopotamië tot aan de Nieuwe Babylonische fase: het opzettelijk verwoesten van bestaande gebouwen en de onmiddellijkie complete nieuwbouw op dezelfde locatie en met behulp van oude bouwrestanten. 

De stad Uruk wordt gedomineerd door twee, publieke gebouwencomplexen, één in het oostelijk stadsdeel, het andere in het westen. Oorspronkelijk moet de nederzetting aan weerszijden van de ooit dwars door de stad stromende Eufraat zijn gebouwd.Opmerkelijk is het 8 meter hoogteverschil tussen beide ensembles: Het complex aan de oostzijde rond het heiligdom van Eanna is groot en gedifferentieerd.  De typologische diversiteit zou een indicatie kunnen zijn dat ook toen al tempels - net als in het eerste millennium in Nieuw-Babylon -(ook)  een belangrijke rol speelden in het economisch leven, d.w.z. dat die een centrale plaats innamen in de distributie van goederen in en met de stad Uruk. Het aan Anu gewijde gebouwencomplex aan de westkant van de stad, had wel een herkenbaar architectonisch centrum, in de vorm van een 11 meter hoog terras waarop de zogenaamde ‘witte tempel’ stond. Van dit alles zijn de resten bewaard en ook technische reconstructies in de vorm van maquettes gemaakt. Maar hoe zag de stad er nu eigenlijk uit. We weten het niet. Een van de eerste beschrijvingen van Uruk dateert pas uit de Kassitische periode, dat is c. 1300 v. Christus. Daar wordt het beeld geschetst van een open en uiteengelegde stad met grote open vlaktes, misschien voor markt en handel, maar er wordt ook gesproken over de vele  boomgaarden, en naast de tempels stonden klei putten, hetgeen weer wijst op ambachtelijke productie. Het geheel besloten door een ruime, 9 km lange muur, om de tien meter onderbroken door een stadspoort - omstreeks 2900 v. Chr. gebouwd en waarvan Gilgamesh de mythische bouwheer zou zijn geweest.




Bondig en zeer informatief overzicht van de archeologische stand van zaken over de ‘eerste’ stad in Tweestromenland en tegelijk een kritische positionering van het in de tekst geciteerde en ook gebruimte overzichtsboek van Guillerme Algaze, zie de link naar de recensie van Geoff Emberling.Veel beeldmateriaal is er te vinden op de website van de in de tekst genoemde tentoonstelling: Uruk - 5000 Jahre Megacity, die overigens nog tot half maart 2014 in Landesmuseum in Mannheim te zien is. Op You Tube zijn de begeleidende filmpjes te zien.



http://www.uruk-megacity.de/index.php?page_id=3

dinsdag 4 februari 2014

'Florerende' versus 'Stokkende' Verstedelijking in Mesopotamië

Uruk en Tell Brak



Kennis over de opkomst van de vroegst bekende vormen van ‘verstedelijking’ in het Tweestromenland (Mesopotamië) is gebaseerd op uiteenlopende informatie, waarvan de belangrijkste afkomstig is van paleoklimatologisch en geomorfologisch onderzoek maar uiteraard ook van archeologisch veldwerk en opgravingen. Die gegevens vormen tezamen de bouwstenen voor historische reconstructies waarbij archeologen gebruik maken van allerlei soorten modellen zoals ontwikkeld in de moderne gedrag- en maatschappijwetenschappen, de geografie en vooral ook economie. In het oog springt het onomstotelijke feit dat in het eerste kwart van het vierde millennium, stedelijke beschaving niet begint met de opbloei van één, de totale regio controlerende (hoofd) stad (zoals bijvoorbeeld Teotihuacan in Mexico), maar juist gekenmerkt wordt door het gelijktijdig verschijnen van een veelheid van elkaar beconcurrerende centra van diverse omvang en bevolkingsdichtheid die ieder voor zich slechts een gedeelte van het deltagebied beheersten.Opmerkelijk aan het urbanisatieproces in het zuidelijk gedeelte (nu Irak)  is dat die - in tegenstelling tot die in het (huidige Syrië gelegen) noorden, gepaard ging met een over een aaneengesloten periode van zevenhonderd jaar plaatsvindende geografische en demografische groei, waarbij met name die van Uruk (Warka) opmerkelijk.


Waarom nu uitgesproken in het zuiden, en niet in het noorden - waar de stad Tell Brak vrijwel dezelfde omvang en statu had als het zuidelijke Uruk - de verstedelijking heeft doorgezet  is een archeologische strijdvraag waarbij, met name door Algaze, markteconomische verklaringsmodellen in stelling worden gebracht, zoals innovaties op gebied van transport  (het domesticeren van ezels; kanalisatie) en van productieprocessen (aanboren en bewerken van grondstoffen, arbeidsorganisatie). Maar het is ook goed mogelijk dat er (ook) militair-politieke of zelfs religieuze factoren in het geding waren. Zolang er nog geen of te weinig data beschikbaar zijn over actores (agency) in deze vroege fase van de Mesopotamische beschaving, is daar weinig concreets over te zeggen.Voorlopig lijken de economische veronderstellingen door archeologische vondsten en (vroeg) schriftelijke bronnen niet te worden tegengesproken.


Een open en uitgestrekte stad


Hoe moeten we ons het patroon van de vroegst bekende, ‘stedelijke’
nederzettingen ruimtelijk en organisatorisch voorstellen, en, wat wordt in dit verband precies bedoeld met ‘stedelijk’ of ‘urbaan’?
Beschikbare data van omgevings- en nederzettingsonderzoek (landschappelijke grenssituatie van alluviale rivierbedding, moerassen en woestijn) en archeologische opgravingen laten zien dat er gedurende de hele Uruk-periode (3900/3700-3100/2900 v Chr.), in de zuidelijke delta, een reeks van nederzettingen waren, allemaal gesitueerd langs natuurlijke of gegraven waterlopen die ieder weer de top vormden van  afzonderlijke netwerken van gehuchten of andersoortige nederzettingen. Dit patroon bestond al in het eerste kwart van het vierde millennium toen Uruk een geschatte omvang had van 70 tot 100 hectare. Drie andere nederzettingen in de nabijheid zoals het meer zuidelijk gelegen Eridu hadden c. 40 ha en enkele nog kleinere niet verder kwamen dan 15 tot 20 ha. Hoogtepunt van het verstedelijkingsproces in deze regio vond plaats in de Late Uruk periode (3300-3000 v. Chr.). Uruk, gesitueerd aan een grote zijarm van de Eufraat, beleefde toen een ongekende groei en bereikte een grondoppervlak van ruim 250 ha. Hoewel er geen consensus is over de exacte relatie tussen grondoppervlak en occupatie, wordt de toenmalige bevolking geschat op 20.000. Uruk werd als stad omringd door een complex grid van stadjes (?), dorpen en gehuchten die tesamen één gemengd (agrarische, ambachtelijk/industriële en huishoudelijke activiteiten) stedelijke nederzetting vormden met een straal van 15 km, en een geschat aantal inwoners van meer dan 50.000.





zondag 2 februari 2014

De open uitgestrekte stad in Tweestromenland

Het begin van verstedelijking in Noord- en Zuid-Mesopotamië





Wat is stedelijk, vraagt geograaf Luuk Boelens zich af in zijn Gentse oratie (2013) over de ‘ontspannen en open metropool’ ? Hij verzet zich tegen het in kringen van geografen en stedenbouwers gangbare, dwangbeeld van de compacte stad. En wijst erop dat meer dan de helft van de huidige wereldbevolking leeft, woont en werkt in uitgestrekte, polynucleaire estuaria en/of delta regio’s. Een tweede opmerkelijke uitspraak betreft een karakteristiek van de verstedelijking in het huidige Vlaanderen waarvan hij stelt dat tot nu toe het sociaal-economisch weefsel tussen de steden in hoge mate bepalend is ‘hoe welvarend de Vlaamse steden zelf functioneren en omgekeerd’. Het zijn twee prikkelende voorbeelden van conceptuele benaderingen van stad en stedelijkheid die vragen om een reactie van archeologen en historici. Mij gaat het er uiteraard niet om het vaststellen van lineaire verbindingen tussen heden en verleden, in de zin van: er is niets nieuws onder de zon. Maar veeleer om te onderzoeken met welke voorstellingen van stad en stedelijkheid werken archeologen/historici, en in hoeverre dragen die bij aan de verheldering en conceptuele verdieping van eigentijdse beelden. En ook omgekeerd! Het grote probleem is dat archeologen en historici niet altijd in staat of bereid zijn om hun inzichten en conclusies te thematiseren, buiten de strikte grenzen van hun eigen vak te tillen en te toetsen - laat staan koppelen - aan inzichten binnen andere disciplines.


In deze en het volgende blog wil ik kort samenvatten hoe op dit moment archeologen aankijken naar het ontstaan en de landschappelijke en architectonische vormaspecten van de eerste verschijnselen van stedelijkheid in het tweestromenland van Mesopotamië in het vierde millennium  vóór Christus. Een van de verrassende uitkomsten is dat, bij de analyse van de oudste (mythologische) teksten en de archeologische vondsten, vaak gebruik wordt gemaakt van de hypotheses en modellen van geografen, economen en planologische onderzoekers uit onze eigen tijd.. Contemporaine vormen van verstedelijking - en de wetenschappelijke reflectie daarover - zijn relevant voor de interpretatie en analyse van omgevingsfactoren, geografische gesteldheid, materiële objecten. Zo is het niet toevallig dat een van de meest recente en gezaghebbende studies over de vroegste urbanisatie in Mesopotamië, Guillermo Algaze's Mesopotamia at the Dawn of Civilization. The Evolution of an Urban Landscape (2008), intensief gebruik maakt van economische modellen op gebied van stad en urbanisatie - van Ricardo tot Krugman - bij het proberen te begrijpen wat er bij de aanvang van de Mesopotaaanse beschaving zich precies afspeelde.







Stedelijke nederzettingen in moerasland van Zuid-Irak


zaterdag 2 november 2013

Wat is 'Stad' ?

Hoe definiëren archeologen 'stad' ?




Tot halverwege de negentiende eeuw - toen  de Britse oudheidkundige Austen Henry Layard sporen van spectaculaire paleizen van Niniveh aan het licht bracht - , werden de grote beschavingen uit Mesopotamië vrijwel uitsluitend bekeken vanuit bijbels en klassiek perspectief. In die (literaire) beeldvorming figureerden met name grote steden als Niniveh en Babylon als symbolen van verderf en hoogmoed, afschrikwekkende oorden die niet uitnodigden om van onder het zand te worden vandaan gehaald. En toen men vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw echt begon te graven, op zoek naar de oudste sporen van stedelijke beschaving der mensheid in het rivierengebied van Eufraat en Tigris, ging het aanvankelijk toch weer om het blootleggen van de typisch Europese, monumentale kenmerken van de vroegste stad: stadsmuren, tempelcomplexen en woonwijken (Uruk, Nippur, Tell Brak). Immers, het zoeken naar de oudste stad - of, anders gezegd, naar de oorsprong van de stad en stedelijke beschaving-  hangt natuurlijk in hoge mate samen met wat men onder ‘stad’ wil verstaan. En het blijft fascinerend om te zien hoe archeologen in hun onderzoek naar steden in Mesopotamië, het Middellandse Zeegebied, Afrika, Zuid-Azië en China, al meer dan honderd jaar het met elkaar oneens zijn over waar ze precies naar op zoek zijn. Wat maakt een nederzetting tot stad, welke criteria worden daarbij gebruikt, welke definities? Wat zijn doorslaggevende factoren: de omvang van een nederzetting, het bevolkingsaanwas, economische specialisatie, de relatie met het achterland, fysieke condities zoals de beschikking over water, de aanwezigheid van een of andere vorm van publieke autoriteit, de dominantie van een religieus centrum in de vorm van een tempel of toren, of, tenslotte, schriftelijke informatie over het zelfbeeld van stedelingen over hun stad?

Het is een discussie die bovendien bemoeilijkt wordt door het meestal ontbreken van expliciete materiële bewijslast, om de eenvoudige reden dat archeologen nu eenmaal zelden complete steden kunnen opgraven, en zich noodgedwongen moeten beperken tot fragmenten, schakels binnen het geheel van een virtuele stad.En bovendien in veel gevallen totaal verschillende opgravingsmethoden en -technieken hanteren, waar vergelijkingen niet altijd relevant zijn. En voor een niet-archeoloog blijft het nog steeds verbazingwekkend om te zien hoe archeologen verstrekkende uitspraken doen over zulke complexe trajecten als staatsvorming, ontwikkelingsgang van de verstedelijking, sociale organisatie en vele andere issues , aan de hand van schaarse en vooral incidentele opgravingen en vondsten. Archeologen hebben bij het definiëren van wat ‘stad is, lang gesteund op een beredeneerde lijst van criteria die de Australische onderzoeker V.G. Childe in 1950 publiceerde in Town Planning Review.(sic).


Childe was de eerste die een grote hoeveelheid nieuwe archeologische data samenbracht en probeerde te interpreteren aan de hand van een aan de sociale wetenschappen ontleende theorie. Fameus is de openingszin van zijn artikel: ‘Het concept  van ‘stad’ is uitzonderlijk moeilijk te definiëren. Het doel van dit artikel is om de stad in historische, of beter nog nog, pre-historische zin, te duiden als de resultante en het symbool van een ‘revolutie’ die het begin inluidde van een nieuwe economische fase in de geschiedenis van de mensheid’. Childe’s typering van een ‘urbane revolutie’ heeft over een lange periode sturing gegeven aan het veel bredere dan alleen archeologische onderzoek naar het begin van urbanisatie als fundamentele transformatie in het sociale leven van de mensheid. Met zijn criteria heeft hij bovendien de toon gezet voor een met name economische definitie van de stad en van het begin van de stedelijke beschaving.


Learning from Uruk




Onderzoek naar vroege vormen van stadsvorming en verstedelijking - naar de oorsprong van de stad - vindt natuurlijk plaats op tal van archeologische sites, in Mesopotamië, Indus-vallei in Pakistan, in China en in Midden Amerika. Hier beperken we ons tot de schermutselingen tussen de diverse archeologische scholen (Chicago, Cambridge en Berlijn) die intensief betrokken zijn bij de reconstructie van de verschillende fases van stadsvorming en stedelijke ontwikkeling in de resp. zuidelijke (Babylonië, Ur, Uruk, Nipur) en noordelijke (Assyrië, Tell Brak) regio’s van Mesopotamië. Tezamen maken deze locaties deel uit van een landschappelijk gevarieerd gebied van meer dan 300.000 km2 waar over een periode van meer dan 3000 jaar zich alle fases en varianten van verstedelijking en stadsvorming hebben voorgedaan. Waar steden aanvankelijk op bijna natuurlijke of organische wijze tot wording zijn gebracht, groot zijn geworden en vervolgens planmatig verder zijn uitgelegd en op monumentale wijze uitgebouwd, om vervolgens even onverwacht weer te verdwijnen of te krimpen of (soms) elders weer van de grond af aan opnieuw te worden opgebouwd. De geschiedenis van de archeologische opgravingen in dit gebied is méér dan een bouwsteen voor de theoretische archeologie: het is bovenal een interessant hoofdstuk in de geschiedenis van de stadsstudies door het nog geenszins afgesloten debat over ‘stad’ in haar vroegste verschijningsvorm.














In de lijn van Childe’s overwegend economisch perspectief op de stad, beschouwen op dit moment de meeste archeologen de economische specialisatie als een van de belangrijkste aanzetten voor verstedelijking. ‘Stad’ is waar indicaties zijn van een  gespecialiseerde samenleving waarin stedelijke nederzettingen en hun rurale achterland deel uitmaken van één economisch systeem. Technologische innovaties op het gebied van transport, irrigatie, landbewerking en gewassenteelt zorgden voor voldoende voedselproductie voor grotere concentraties van mensen. In een wederzijdse economisch afhankelijkheid groeiden nederzettingen op hun beurt uit tot creatieve centra van technische innovatie en specialisatie op gebied van bestuur, administratie (spijkerschrift)  en logistiek. Steden kon den zich daardoor ontwikkelen tot ware magneten die vanuit het rurale gebied grote stromen (interne) migranten naar zich toe wisten te trekken. Of, in gevallen de toestroom stagneerde, vanuit de stedelijke centra externe gebieden koloniseerden. De talloze bewaard gebleven kleitabletten geven niet alleen informatie over de soort, aard en omvang van de gespecialiseerde agrarische productie gedurende het Derde Millennium, maar méér nog van de manier waarop die bedrijvigheid vanuit de stad werd georganiseerd via ingenieuze vormen van arbeidsdeling, boekhouding en grondadministratie. Maar de opkomst van steden kan niet alleen vanuit economisch gekleurde, theorieën worden verklaard. Recent  zijn archeologen als Geoff Emberling (Chicago, Oriental Institute) ook geïnteresseerd in de actieve participatie van allerlei actores in deze processen van stadsvorming. Wie waren bijvoorbeeld die priesters die als eerste specialisten binnen de stedelijke gemeenschap actief waren en zorgden dat steden konden functioneren als ceremoniële centra? En wie gaan er schuil achter de publieke instituties die zowel fysiek het stadslandschap domineerden als ook het grootste deel van de productie, opslag en distributie van landbouwproducten en goederen verzorgden? Kort en goed: de bewezen aanwezigheid van een of andere vorm van (publieke) autoriteit of elite is een ander dominant criterium voor de bepaling van de overgang van een nederzetting naar stad te bestempelen.

Een derde indicatie dat in Childe’s lijstje helemaal niet voorkomt, is het kunnen vaststellen van uitingen van stedelijke identiteit. Waar meet je die in de vroege fases van stadsvorming aan af? Dit type archeologisch onderzoek vertrekt vanuit de stelling dat de stad, als historisch fenomeen, onlosmakelijk verbonden is met de perceptie en beeldvorming door bewoners en gebruikers. Mesopotamië heeft een rijke tekstuele documentatie en inwoners hadden al (zeer) vroeg de gewoonte om mensen, goden, beroepen en objecten in afzonderlijke woordlijsten vast te leggen. Maar in de verschillende taalsystemen in Mesopotamië zijn geen woorden die het onderscheid aangeven tussen een nederzetting, een dorp of stad. En ook in de teksten en op  afbeeldingen van Gilgamesch, de mythische koning van Uruk, komen nauwelijks stadsscènes voor, hoewel zijn naam wel geassocieerd wordt met de herbouw van de monumentale stadsmuur rond 3000 v. Chr. Maar archeologen als Piotr Eltsov - die zich met vroege stadswording in de Ganges en Harappa beschaving heeft bezig gehouden -  vragen zich in zo’n situatie af: welk idee van de stad - van stedelijk leven en stedelijke organisatie - spreekt eruit de vele duizenden ogenschijnlijk gortdroge woordlijsten op de gevonden kleitabletten? Zijn er hiërarchische verhoudingen of sociale conflicten te reconstrueren uit de (eindeloze en steeds weer herhaalde) opsommingen van beroepen, handelsactiviteiten en werkzaamheden in de landbouw? En kunnen we die geschreven informatie gebruiken bij de interpretatie van het archeologisch materiaal, niet alleen van tempels en woongebieden maar ook van de ceramiek en andere voorwerpen van materiële cultuur?
perceelopmeting landbouwbedrijf c. 2100 v Chr.



Samenvattend: archeologisch onderzoek naar het ontstaan van de vroegste steden is voor de huidige stadsstudies buitengewoon ‘voorbeeldig’ en richting gevend door de aanpak van een breed spectrum aan thema’s en onderwerpen waarmee de stad wordt benaderd: klimaat, milieu, migratie etc.  via een even groot en gedifferentieerd aantal vooral geografische, bio- en natuurwetenschappelijke methoden en technieken. Om zicht te krijgen op cruciale verschuivingen in het nederzettingspatroon in de pré-stedelijke era (10e - 5e millennium voor Chr.) worden in op gebied van water, klimaat, bodem, beplanting etc.data verzameld en in dynamisch landschaps- en nederzettings ontwikkelingsmodel ingevoerd (MASS). Zie korte beschrijving op de website.:


` Maar tegenover deze massieve inzet van technieken en methoden vanuit geofysica, geo- en bioarcheologie ter verklaring van eerste tekenen van stadsvorming, staat een minstens zo interdisciplinair apparaat vanuit de historische, taal- en cultuurwetenschappen om de stad ook als een sociaalpolitiek en vooral ook cultureel fenomeen te beschouwen en informatie te verzamelen over vroege vormen op gebied van gebruik van, leven in en het denken over de stad.
schematische voorstelling dynamische interactie tussen menselijke activiteiten en natuurlijk milieu (Bronstijd Mesopotamië)




Blijft over de plannings- en vooral stedenbouwhistorische vraag: in hoeverre leveren de gezamenlijke interdisciplinaire inspanningen niet alleen een beter en preciezer inzicht in verstedelijking als proces, maar zijn er op grond daarvan ook betrouwbare uitspraken te doen over de vorm en structuur van de vroegste steden. Zijn er met de beschikbare gegevens reconstructies mogelijk die méér zijn dan een hypothetisch aangevulde opgravingsplattergrond?

enkele relvante websites::

Childe and the Urban Revolution: 

http://en.wikipedia.org/wiki/Urban_revolution

Modeling Ancient Settlement Systems (MASS)

http://oi.uchicago.edu/OI/PROJ/MASS/introduction.htm

'On the Ancient Cities of Mesopotamia' Geoff Emberling:

http://www.academia.edu/1077667/On_the_Early_Cities_of_Mesopotamia